Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08/5017 WAO + 08/5018 WAZ + 08/5174 WAO + 08/5175 WAO + 08/5176 WAO e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fiscale bijtelling vanwege het privégebruik van de auto van de werkgever wordt als inkomsten uit arbeid aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5017 WAO, 08/5018 WAZ, 08/5174 WAO, 08/5175 WAO, 08/5176 WAO, 08/5177 WAZ, 08/5178 WAZ en 08/5179 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 11 juli 2008, 07/1858 tot en met 07/1865 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. ten Hoopen, werkzaam bij Meeuwsen Ten Hoopen Belastingadviseurs B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Voor appellant zijn verschenen mr. Ten Hoopen en mr. G. Gelling. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 18 februari 2002 ongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder bij [naam B.V.]. Met ingang van 17 februari 2003 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met inkomsten uit arbeid zijn de uitkeringen uitbetaald als ware appellant 65 tot 80% arbeidsongeschikt. Sinds 15 mei 2003 had appellant de beschikking over een auto van de werkgever, die mede voor privédoeleinden is gebruikt. Naar aanleiding van de in februari 2007 ontvangen jaarstukken over de jaren 2003, 2004 en 2005 heeft arbeidsdeskundige

P. Flierman op 17 april 2007 de consequenties van die gegevens voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen onderzocht. Het Uwv heeft op grond hiervan op 14 mei 2007 de volgende besluiten genomen:

- Aan appellant is meegedeeld dat de WAO- en de WAZ-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO respectievelijk artikel 58 van de WAZ per 15 mei 2003 worden uitbetaald naar de klasse 45 tot 55%.

- Vastgesteld is dat de WAO- en WAZ-uitkering van appellant onder toepassing van diezelfde kortingsbepalingen met ingang van 1 januari 2004 uitbetaald moeten worden naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

- De uitbetaling van de WAO- en WAZ-uitkering is per 1 januari 2006 wederom op dezelfde wettelijke basis bepaald op 45 tot 55%.

- Per 17 februari 2006 is de WAO- respectievelijk WAZ-uitkering herzien naar de klasse 45 tot 55% op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO respectievelijk artikel 58, tweede lid, van de WAZ.

2. In bezwaar is namens appellant aangevoerd, dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van de inkomsten de fiscale bijtelling vanwege het privégebruik van de auto van de werkgever ten onrechte als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44 van de WAO en artikel 58 van de WAZ heeft aangemerkt. Het zou gaan om sociaal loon, bedoeld om het verlies aan inkomen te compenseren. Na onderzoek door bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk op 7 september 2007 heeft het Uwv bij besluiten van 14 september 2007 de bezwaren ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen, dat in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte -en door de belastingsdienst gehonoreerde- keuze. Slechts ingeval van bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de belastingaangifte 2003 blijkt, dat over dat jaar een bedrag van € 10.328,-- als inkomen is bijgeteld in verband met het privégebruik van de auto van de werkgever. Per maand is dat een bijtelling van

€ 866,67. Over 2004 en 2005 bedraagt de bijtelling omgerekend € 1.206,50 per maand. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien van deze door de fiscus geaccepteerde keuze af te wijken. De stelling van appellant, dat sprake is van sociaal loon heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep verworpen.

4. In hoger beroep heeft appellant het standpunt dat de fiscale bijtelling ten onrechte als inkomen uit arbeid is aangemerkt herhaald en gesteld, dat niet beoordeeld is of de verdiensten wel een reële afspiegeling van de resterende verdiencapaciteit vormen. Voorts heeft de rechtbank geen oordeel gegeven over de stelling, dat aansluiting gezocht zou moeten worden bij de dagloonbepalingen. Tevens is aangevoerd, dat sinds 1 januari 2006 een eigen bijdrage voor de auto van de werkgever bestaat, waardoor het voordeel van het privégebruik van deze auto ontbreekt. Tenslotte is aangevoerd, dat de beoordeling met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Op 10 november 2008, 19 december 2008 en 20 maart 2009 heeft appellant nadere financiële gegevens met betrekking tot de jaren 2006, 2007 en 2008 ingezonden.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de fiscale bijtelling in verband met het privégebruik van de auto van de werkgever op goede gronden als inkomsten uit arbeid is aangemerkt in de zin van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ, zoals deze artikelen luidden ten tijde hier van belang. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de voor de fiscus gemaakte en door die instantie geaccepteerde keuze in beginsel bepalend is. De stelling dat de fiscale bijtelling als een aanvulling op loon of arbeidsongeschiktheidsuitkering zou moeten worden aangemerkt en het karakter van sociaal loon draagt, onderschrijft de Raad niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 2 februari 2005, LJN AS5617, is bij een directeur-grootaandeelhouder geen sprake van sociaal loon, omdat deze de hoogte van zijn salaris zelf kan bepalen. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Het Uwv heeft de fiscale bijtelling dan ook terecht als inkomsten uit arbeid aangemerkt. Hieruit volgt bovendien, dat de bijtelling evenmin als dividend beschouwd kan worden, zoals namens appellant ter zitting is betoogd. Van een onvoldoende onderzoek door het Uwv naar de vraag of de verdiensten een reële afspiegeling van de resterende verdiencapaciteit zijn, is de Raad niet gebleken.

5.4. Wat betreft de grief dat sinds 1 januari 2006 een eigen bijdrage voor de auto van de werkgever geldt, waardoor het financiële voordeel voor het privégebruik van deze auto zou ontbreken overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een aantal gewijzigde salarisstroken in geding gebracht. Zoals gemachtigden van appellant ter zitting hebben bevestigd, is over het jaar 2006 ten aanzien van de voorgestane correcties van het salaris nog geen definitieve aanslag van de fiscus vastgesteld. De Raad stelt vast, dat op dit punt sprake is van een voor de gemaakte keuze, die echter (nog) niet door de fiscus is gehonoreerd. Op grond hiervan ziet de Raad in de thans beschikbare gegevens onvoldoende aanleiding, om de beoordeling door het Uwv van de fiscale keuze per 1 januari 2006 voor onjuist te houden.

5.5. Gelet op hetgeen onder 5.2, 5.3 en 5.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de artikelen 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO en 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ. Op 17 februari 2006 is over een aaneengesloten termijn van drie jaren toepassing gegeven aan deze kortingsbepalingen. Ingevolge artikel 44, tweede lid, van de WAO en artikel 58, tweede lid, van de WAZ diende het Uwv per die datum tot herziening van de WAO-uitkering en de WAZ-uitkering over te gaan.

5.6. Ter zitting is namens appellant naar voren gebracht, dat het met terugwerkende kracht toepassen van de korting van de WAO-uitkering en WAZ-uitkering in strijd zou komen met het vertrouwensbeginsel. Het Uwv heeft ter zitting uitdrukkelijk de tijdigheid van deze grond aangevochten. De Raad verwerpt het standpunt van het Uwv ter zake. Naar het oordeel van de Raad kan het beroep van appellant op schending van het vertrouwensbeginsel echter niet slagen, omdat vaststaat dat het Uwv pas in 2007 in kennis werd gesteld van het privégebruik van de auto van de werkgever en de beschikking kreeg over de fiscale gegevens. Omdat nadien besluitvorming heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien dat sprake is van schending van opgewekt vertrouwen. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is evenmin sprake. In dat verband overweegt de Raad, dat een zelfstandige er rekening mee kan en moet houden, dat de inkomsten (mede) gevolgen hebben voor de uitbetaling dan wel hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit vloeit reeds voort uit de omstandigheid dat de hoogte van de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige pas na afloop van een boekjaar kan worden vastgesteld, waardoor de eventuele gevolgen voor de uitbetaling of hoogte van de uitkering pas later kunnen worden beoordeeld.

5.7. Tenslotte overweegt de Raad dat de namens appellant in geding gebrachte gegevens over de jaren 2007 en 2008 zien op een periode na de data in geding en daarmee buiten de omvang van het geding vallen.

5.8. Het onder 5.2 tot en met 5.7 overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht in geen van de zaken termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR