Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08-7219 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaarverzekerings)arts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de arts Oliveiro appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, waarbij hij op de hoogte was van de linkerarm- en handklachten als gevolg van een motorongeval in 1992.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7219 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 november 2008, 08/939 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als medewerker spoelkeuken voor 40 uur per week toen hij zich voor dit werk per 28 januari 2008 ziek heeft gemeld met nek-, schouder- en rugklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur van 6 maart 2008 bezocht van de arts J. Oliveiro. Deze arts heeft appellant per 7 maart 2008 hersteld verklaard voor zijn werk als medewerker spoelkeuken. Bij besluit van 6 maart 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 7 maart 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 6 maart 2008 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter, bij besluit van 30 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij op en na 7 maart 2008 ongeschikt was voor zijn eigen werk. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat, nu de neuroloog de klachten niet toeschrijft aan nieuw neurologisch lijden, dit niet betekent dat er geen sprake is van medische objectivering van zijn beperkingen. Tevens blijkt volgens appellant uit de omstandigheid dat hij na één dag werken op 12 augustus 2008 wederom is uitgevallen, dat hij onafgebroken ongeschikt is gebleven voor zijn werk. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een brief van de neuroloog C.H. Polman van 7 mei 2009 en een door het Uwv opgestelde plan van aanpak van 10 november 2009 overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In gevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaarverzekerings)arts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de arts Oliveiro appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, waarbij hij op de hoogte was van de linkerarm- en handklachten als gevolg van een motorongeval in 1992. Uit de medische kaart blijkt vervolgens dat de arts een voldoende duidelijk beeld had van de aard en de zwaarte van de functie van medewerker spoelkeuken. Er moest, zoals door appellant tijdens het spreekuur is aangegeven, veel worden gebukt, getild, en gereikt waarbij sprake was van temperatuurverschillen. Het werk bestond veelal uit het plaatsen van eetbakjes in een spoelmachine, waarbij in de avonddienst deze bakjes eerst moesten worden geleegd. Ook werden lege pallets op de kant geplaatst en weggeduwd. Oliveiro heeft, met inachtneming van deze belasting, geconcludeerd dat appellant weliswaar beperkt moet worden geacht voor zwaar tillen, echter niet voor reiken of frequent lichte voorwerpen dragen, zodat hij geschikt moet worden geacht voor zijn laatst verrichte werk. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts De Kanter appellant op het spreekuur van 29 mei 2008 ook lichamelijk en psychisch onderzocht. De Kanter heeft de diagnose van de arts Oliveiro op basis van zijn eigen onderzoek bijgesteld nu er sprake is van een voor het verzuim aanwezige defecttoestand die gepaard gaat met betekenisvolle beperkingen, waarbij het gaat om een traumatische zenuw- of plexuslaesie. Appellant heeft met deze aandoening echter gedurende meer dan een jaar gewerkt. Indien sprake zou zijn van overbelasting door het werk, zouden de klachten al lang over moeten zijn. Nu voorts geen medische aanknopingspunten bestaan voor de plotselinge klachtentoename, is er geen aanleiding om van de conclusie van Oliviero dat appellant per 7 maart 2008 geschikt moet worden geacht voor zijn werk als medewerker spoelkeuken af wijken, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

4.3. De bij het Uwv na het bestreden besluit ontvangen informatie van de neuroloog M.E. van Kesteren-Biegstraaten van 10 juni 2008 – waarnaar appellant in beroep heeft verwezen – en de in hoger beroep overgelegde informatie van de neuroloog Polman bevatten, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 28 mei 2009, geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens. Daarbij tekent de Raad aan dat zowel Polman als Van Kesteren-Biegstraaten wijzen op een (oude) plexuslaesie links. Bezwaarverzekeringsarts De Kanter heeft na het onderzoek op 29 mei 2008 dezelfde diagnose gesteld en, naar het oordeel van de Raad, bij de rapportage van 30 mei 2008 afdoende gemotiveerd waarom appellant met deze aandoening op en na 7 maart 2008 niet ongeschikt is te achten voor zijn laatst verrichte werk als medewerker spoelkeuken voor 40 uur per week. Ten aanzien van het standpunt dat appellant onafgebroken ongeschikt zou zijn geweest nu hij met ingang van 12 augustus 2008 na één dag werken wederom is uitgevallen, is de Raad van oordeel dat dit standpunt onvoldoende met medische gegevens is onderbouwd. Het enkel verwijzen naar een door het Uwv opgestelde plan van aanpak, acht de Raad in het licht van het vorenstaande niet afdoende.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 7 maart 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM