Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08-6687 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ziekengeld omdat betrokkene op en na de datum in geding niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Juistheid medisch oordeel. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden om het medisch onderzoek onzorgvuldig dan wel onvolledig te achten. De eigen opvatting van betrokkene over zijn medische situatie zijn niet aan de hand van concrete medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd. De overgelegde stukken inzake de toekenning van een bijstandsuitkering en ontheffing voor een of meer arbeidsverplichtingen bevatten geen medische gegevens die een ander oordeel rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6687 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2008, 08/945 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tilburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die werkzaam is geweest als elektrotechnicus, heeft zich per 6 augustus 2007 in verband met klachten van vermoeidheid bij het Uwv ziek gemeld vanuit een uitkeringsituatie ingevolge de Werkloosheidswet. Naar aanleiding hiervan is aan appellant ziekengeld toegekend.

2. Bij besluit van 9 oktober 2007 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 10 oktober 2007 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 22 januari 2008 (het bestreden besluit) is bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2007 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken en heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om het medisch onderzoek onzorgvuldig dan wel onvolledig te achten. De rechtbank heeft verder overwogen dat de eigen opvatting van appellant over zijn medische situatie en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen niet aan de hand van concrete medisch objectiveerbare gegevens is onderbouwd en dat appellants subjectieve klachtenbeleving geen toereikende basis is om de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts te verwerpen.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft terzake nog het volgende overwogen.

Uit het afschrift van de Medische Kaart blijkt dat appellant twee keer op het spreekuur van de verzekeringsarts is geweest en dat bij het laatste onderzoek op 9 oktober 2007 zijn medische toestand bleek te zijn verbeterd. De toen nog licht verhoogde bloeddruk was volgens de verzekeringsarts geen reden om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant eveneens onderzocht en daarbij vastgesteld dat er ook bij specialistisch onderzoek, met name wat betreft de hartklachten en de bloeddruk, geen medisch objectiveerbare afwijkingen waren aangetoond op grond waarvan appellant ongeschikt zou zijn voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij met name ook aandacht besteed aan de aard en de zwaarte van appellants werk.

Naar het oordeel van de Raad is deze conclusie voldoende onderbouwd.

5.1. De door appellant overgelegde stukken van de gemeente Spijkenisse inzake de toekenning van een bijstandsuitkering per 18 juli 2008 en ontheffing voor een of meer arbeidsverplichtingen bevatten geen medische gegevens die een ander oordeel rechtvaardigen.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5 en 5.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK