Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
08-1904 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en teerugvordering bijstandsuitkering en terugvordering overbruggingsvoorschot.Schending inlichtingenverplichting. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode van 6 september 2005 tot en met 9 november 2006 niet duurzaam gescheiden heeft geleefd. De omstandigheid dat appellante en [Z.] ten tijde hier van belang niet duurzaam gescheiden leefden betekent dat zij ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB als een gezin moeten worden beschouwd, zodat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Het College was bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 6 september 2005 in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1904 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 februari 2008, 07/2130 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadeel (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schütz. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente Dantumadeel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is gehuwd met [Z.]. Zij ontving ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip is door de Sociale Recherche Fryslân (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dit kader zijn onder meer waarnemingen gedaan in de omgeving van de adressen van appellante en [Z.], hebben enkele getuigen verklaringen afgelegd en zijn appellante en [Z.] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in twee rapporten van 30 oktober 2006 en 7 november 2006. De resultaten van het onderzoek waren voor het College aanleiding de bijstand met ingang van 6 september 2006 (lees: 2005) te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van de over de periode van 6 september 2005 tot en met 30 september 2006 tot een bedrag van € 14.225,95 van appellante terug te vorderen. Tevens heeft het College een in 1993 aan appellante verstrekt overbruggingsvoorschot tot een bedrag van € 226,89 van haar teruggevorderd. De intrekking berust op de overweging dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt, met [Z.] op zijn adres heeft samengewoond.

1.3. Bij besluit van 18 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 november 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij de intrekking gebaseerd op de overweging dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt, niet duurzaam gescheiden leefde van [Z.].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden heeft geleefd van [Z.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode van 6 september 2005 tot en met 9 november 2006 niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [Z.]. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de op 26 oktober 2006 door appellante en [Z.] ten overstaan van de sociale recherche afgelegde (en zonder voorbehoud) ondertekende verklaringen. Appellante heeft toen verklaard dat zij het laatste jaar in hoofdzaak bij [Z.] heeft verbleven, dat zij over een sleutel van de woning van [Z.] beschikt, dat zij in die woning de fiets stalt die zij in [woonplaats] gebruikt en dat haar auto daar ook bijna altijd in de buurt staat. Door de week verblijft zij meestal nog een of twee nachten op haar eigen adres in [plaatsnaam]. [Z.] is dan meestal bij haar, maait daar het gras en zet de container aan de weg.

Verder heeft appellante verklaard dat ze wel voor [Z.] kookt, maar niet altijd.

[Z.] heeft in hoofdlijnen hetzelfde verklaard. Blijkens zijn verklaring is die situatie zo vanaf het moment dat hij in [woonplaats] woont (6 september 2005). Anders dan de rechtbank hecht de Raad geen betekenis aan de verklaring die de zoon van appellante op 26 oktober 2006 op zijn eigen verzoek op het politiebureau heeft afgelegd.

4.3. Uit de door appellante in de loop van de procedure overgelegde gegevens, waaronder de brief van 15 november 2006 van Maatschappelijk Werk Fryslân en de brief van 23 november 2006 van GGZ Friesland-Noord blijkt niet dat appellante of [Z.] op grond van de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeerden, niet in staat waren op 26 oktober 2006 naar waarheid over hun woon- en leefsituatie te verklaren.

Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat haar verklaring en die van [Z.] onjuist waren. Hetgeen appellante daarvoor als bewijs heeft aangedragen, zoals de gegevens over het verbruik van energie en water in haar woning en die van [Z.], acht de Raad onvoldoende. Ook aan de in hoger beroep overgelegde verklaring van de dochter van appellante hecht de Raad niet de waarde die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

4.4. De omstandigheid dat appellante en [Z.] ten tijde hier van belang niet duurzaam gescheiden leefden betekent dat zij ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB als een gezin moeten worden beschouwd, zodat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande.

4.5. Aangezien appellante van het niet duurzaam gescheiden leven van [Z.] geen mededeling heeft gedaan aan het College heeft zij in strijd gehandeld met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting.

De omstandigheid dat de strafrechter appellante van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.6. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is aan appellante over de periode van 6 september 2005 tot en met 9 november 2006 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Het College was dan ook bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 6 september 2005 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot die beslissing is kunnen komen.

4.7. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige grieven aangevoerd, zodat ook de terugvordering in stand kan blijven.

4.8. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

SB