Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
09-2447 WWB + 09-3059 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Omvang geding. Artikel 8:69, eerste lid, Awb, ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat in artikel 8:69, lid 1 en 2, Awb van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak 1 - voor zover aangevochten - te vernietigen. 2) Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Reële schuld ter zake van de leenbijstand had ten bedrage van € 36.050,--. Het vermogen van appellante was niet groter was dan de destijds geldende vermogensgrens. Daarom was het College niet bevoegd om de bijstand in te trekken. Het intrekkingsbesluit berust derhalve op een ondeugdelijke motivering. 3) Afwijzing nieuwe aanvraag bijstandsuitkering (gezien oordeel onder 2) vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2447 WWB

09/3059 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 19 maart 2009, 07/1264 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/689 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Faas, advocaat te Middelburg, bij afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Voor appellante is verschenen mr. Faas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A. Sinke en D.B. Wisse, beiden werkzaam bij de gemeente Borsele.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 27 februari 2003 heeft het College appellante met ingang van 10 januari 2003 bijstand in de vorm van een geldlening toegekend, onder meer onder de voorwaarde dat appellante de afdeling Sociale Zaken informeert over de financiële afwikkeling van de echtscheiding.

1.2. Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het College de bijstand van appellante per 1 juni 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) en de verstrekte leenbijstand over de periode van 10 januari 2003 tot en met 31 mei 2006 op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) ten bedrage van € 36.652,24 teruggevorderd. Het vermogen waarover appellante na de boedelscheiding beschikte of kon beschikken werd daarbij vastgesteld op € 67.635,78. Appellante heeft tegen het besluit van 24 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

1.3. Hangende het onder 1.2 genoemde bezwaar heeft het College bij besluit van 3 april 2007 het besluit van 24 oktober 2006 herzien wat betreft het vermogen van appellante op 1 juni 2006 en de wettelijke grondslag van de terugvordering. Het College heeft het vermogen vastgesteld op € 46.410,-- en heeft € 36.050,-- leenbijstand teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB.

1.4. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het College het besluit van 3 april 2007 herzien. In plaats van de terugvordering heeft het College appellante een aflossingsverplichting opgelegd op de grond dat zij op 1 juni 2006 redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over een vermogen van € 111.050,27. De hoogte van de aflossingsverplichting is daarbij bepaald op een bedrag van € 36.050,--, omdat appellante als gevolg van het indienen van een bezwaarschrift niet in een nadeliger positie terecht mag komen vergeleken met het besluit van 3 april 2007. Appellante heeft op 30 augustus 2007 nadere gronden in bezwaar aangevoerd.

1.5. Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2006, zoals gewijzigd bij de besluiten van 3 april 2007 en 31 mei 2007, ongegrond verklaard.

1.6. Op 8 januari 2008 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingediend met ingang van 1 juni 2006. Deze aanvraag is door het College bij besluit van 11 maart 2008 afgewezen.

1.7. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 34 van de WWB. Op grond van de overwegingen dat een nieuwe berekening van het vermogen van appellante per 1 juni 2006 niet leidt tot de vaststelling van een lagere aflossingsverplichting en dat bijgevolg de leenbijstand terecht per 1 juni 2006 is ingetrokken, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

3. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juni 2008 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak 1 als volgt.

4.1. De omvang van het geding.

4.1.1. De Raad overweegt ambtshalve als volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij de vaststelling van het vermogen van appellante op 1 juni 2006 de onderhandse lening van € 100.000,-- voor de aankoop van een woning alleen tot een bedrag van € 75.000,-- kan worden meegenomen. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door € 25.000,-- meer te lenen dan nodig was voor de financiering van die woning. Dit is een andere grond dan die welke aan het besluit van 29 oktober 2007 ten grondslag is gelegd. Naar vaste rechtspraak verdraagt het zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank heeft beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat in artikel 8:69, eerste (en tweede) lid van de Awb van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak 1 - voor zover aangevochten - te vernietigen.

4.1.2. Ter zitting is gebleken dat de bij besluit van 31 mei 2007 opgelegde aflossingsverplichting van de leenbijstand ten bedrage van € 36.050,-- niet langer in geschil is. Het geding spitst zich daarom toe op de vraag of het College de bijstand van appellante terecht met ingang van 1 juni 2006 heeft ingetrokken.

4.2. De intrekking van de bijstand.

4.2.1. De Raad stelt mede gelet op hetgeen eerder onder 4.1.1 is overwogen voorop dat, nu het College geen hoger beroep heeft ingesteld, het door de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 neergelegde oordeel dat de onderhandse lening van € 100.000,-- een schuld in de zin van de WWB is, in de onderhavige zaak als uitgangspunt dient te gelden.

4.2.2. Voor de Raad geldt verder als uitgangspunt dat de rechtbank in hoger beroep onbestreden heeft vastgesteld dat het vermogen van appellante op 1 juni 2006, na aftrek van het vrij te laten vermogen, € 36.050,27 bedroeg.

4.2.3. Inmiddels is vast komen te staan, en is ook ter zitting door de gemachtigde van het College erkend, dat appellante op 1 juni 2006 een reële schuld ter zake van de leenbijstand had ten bedrage van € 36.050,--.

4.2.4. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het vermogen van appellante op 1 juni 2006 niet groter was dan de destijds geldende vermogensgrens. Daarom was het College niet bevoegd om met ingang van 1 juni 2006 de bijstand in te trekken. Het intrekkingsbesluit berust derhalve op een ondeugdelijke motivering. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking per 1 juni 2006 kunnen derhalve niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.

5. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak 2 als volgt.

5.1. Aan het besluit van 18 juni 2008 betreffende de aanvraag van 8 januari 2008 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat appellante geen recht op bijstand meer had. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aangevallen uitspraak 1 moet dit uitgangspunt naar het oordeel van de Raad vooralsnog voor onjuist worden gehouden.

Dit betekent dat het besluit van 18 juni 2008 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, evenals de aangevallen uitspraak 2, voor vernietiging in aanmerking komen en het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beide hoger beroepen voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het College opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2006 tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 juni 2006 met inachtneming van deze uitspraak;

Vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 juni 2008;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 259,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm