Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08-4163 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In aanmerking te nemen middelen bij vermindering van verschuldigde inkomstenbelasting door aftrek van buitengewone ziektekosten.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 31, geldigheid: 2010-03-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/122
RSV 2010, 125
JWWB 2010, 102

Uitspraak

08/4163 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juni 2008, 07/835 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2010. Voor appellante is mr. Bakker verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Slochteren.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is freelance yogalerares en ontvangt aanvullende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Haar freelance inkomsten worden in mindering gebracht op haar uitkering. Het College verstrekt na afloop van het boekjaar bijstand voor de aanslag inkomstenbelasting die appellante wordt opgelegd in verband met die freelance inkomsten.

1.2. In de aangifte inkomstenbelasting 2004 heeft appellante een bedrag van € 3.846,-- als resultaat van de yogapraktijk en een bedrag van € 1.966,-- aan ziektekosten als aftrekpost opgenomen. De Belastingdienst heeft deze aangifte geaccepteerd en de aanslag 2004 vastgesteld op € 324,--.

1.3. Op 13 december 2005 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijstand voor de betaling van de belastingaanslag over 2004 en deze aanvraag toegelicht bij brief van 18 februari 2006. Zij heeft verzocht om toekenning van bijstand tot een bedrag van € 897,85. Daarvoor is als reden gegeven dat zonder de aftrekpost van de ziektekosten de belastingaanslag circa € 662,-- hoger zou zijn uitgevallen.

1.4. Bij besluit van 16 november 2006 heeft het College de aanvraag tot een bedrag van € 324,-- met wettelijke rente toegekend als algemene bijstand op de grond dat uit de belastingaanslag en de overgelegde stukken was gebleken dat aan appellante in 2004 achteraf bezien te weinig bijstand was verstrekt en dat de vertraagde behandeling de verhoging met de wettelijke rente rechtvaardigde. Het meer verzochte heeft het College afgewezen op de grond dat door de opgelegde belastingaanslag het inkomen van appellante is gebracht onder het bestaansminimum en dat dit met de toegekende algemene bijstand alsnog wordt aangevuld. Het College heeft het meerdere als (bijzondere) bijstand geweigerd op de grond dat een misgelopen belastingvoordeel niet behoort tot de bijzondere noodzakelijke kosten zoals genoemd in artikel 35 van de WWB.

1.5. Bij besluit van 21 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante recht heeft op algemene bijstand voor het bedrag dat zij op de aanslag inkomstenbelasting moet betalen in verband met haar inkomsten uit freelance werkzaamheden. Evenmin is in geschil dat een belastingteruggave in verband met aftrek van buitengewone (ziekte-)kosten niet tot de middelen wordt gerekend en dus niet van invloed is op de hoogte van de door het College te verlenen bijstand. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag welk gevolg voor de bijstandsverlening moet worden verbonden aan de aftrek vanwege buitengewone kosten, die niet leidt tot teruggave, maar - zoals in dit geval - tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting.

4.2. In artikel 31, eerste lid, van de WWB is - voor zover hier van belang - bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

In het tweede lid van dit artikel, aanhef en onder f, is bepaald dat niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend.

4.3. In de verzamelbrief aan de colleges van burgemeester en wethouders van juni 2005 onder nummer [nr.] heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de kop “VWS en Belastingdienst starten offensief aangifte loont” onder meer het volgende meegedeeld:

“De Tegemoetkoming buitengewone uitgaven (Tbu) is een VWS-regeling, die door de Belastingdienst wordt uitgevoerd. De Tbu is bedoeld voor mensen met een laag inkomen (waaronder gehandicapten, chronisch zieken en ouderen). Voorheen kon deze groep door de combinatie van de hoogte van hun inkomen en de totale hoogte van hun aftrekposten en heffingskortingen niet altijd de volledige waarde van hun aftrek buitengewone uitgaven verzilveren. Door de Tbu is met ingang van 2003 compensatie tegen het geldende belastingtarief wel mogelijk, zelfs als er in het geheel geen belasting is betaald. Voorwaarde is wel dat mensen belastingaangifte doen (een T-biljet invullen) en gebruik maken van de aftrek buitengewone uitgaven. Veel mensen die recht hebben op compensatie, ervaren echter een grote drempel om belastingaangifte te doen. De regeling is voor hen te ingewikkeld en er is een behoorlijke papierwinkel mee gemoeid. Ook denken veel mensen dat het geld dat zij van de Belastingdienst terugkrijgen, zal worden gekort op hun bijstandsuitkering. Dat is echter niet het geval met belastingteruggave op grond van de aftrek buitengewone uitgaven en de Tbu. Deze belastingteruggave wordt noch bij de verlening van algemene, noch bij de verlening van bijzondere bijstand als middel in aanmerking genomen (artikel 31, tweede lid, onderdeel f, WWB). Datzelfde geldt voor belastingteruggaven die betrekking hebben op feitelijke kosten waarvoor geen bijzondere bijstand is verleend. Voor de volledigheid merk ik op dat feitelijke kosten die zijn vergoed door de bijzondere bijstand niet als buitengewone uitgaven bij de aangifte inkomstenbelasting kunnen worden opgevoerd (artikel 19a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001).”

4.4. De Raad is van oordeel dat uit de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB, in het bijzonder het gedeelte daarvan over vermindering van belasting, en uit de zojuist geciteerde toelichting van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op dit artikel in relatie tot het doel en de strekking van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven volgt, dat het equivalent van de vermindering van inkomstenbelasting dat bereikt wordt door aftrek van buitengewone (ziekte-)kosten niet behoort tot de voor bijstandsverlening in aanmerking te nemen middelen. Bij de verlening van algemene bijstand over 2004 diende het College deze vermindering dan ook buiten beschouwing te laten en de algemene bijstand aan te vullen met het bedrag dat appellante op de aanslag inkomstenbelasting 2004 zonder deze aftrekpost zou hebben moeten betalen.

4.5. De rechtbank heeft hetgeen in 4.4 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 juni 2007 vernietigen wegens strijd met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB. De Raad kan de zaak zelf afdoen, nu de hoogte van het in 4.4 bedoelde bedrag tussen partijen niet in geschil is en gesteld moet worden op € 897,15. Daarom zal het besluit van 16 november 2006 worden herroepen. De Raad bepaalt dat appellante over 2004 aanvullende algemene bijstand toekomt tot een bedrag van in totaal € 897,15 en dat de verschuldigde wettelijke rente wegens te late betaling van het bedrag waarop zij naast het reeds toegekende bedrag van € 324,-- recht heeft begint te lopen op 1 april 2006, zes weken na de aanvulling van de aanvraag op 18 februari 2006.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 juni 2007;

Herroept het besluit van 16 november 2006;

Bepaalt dat appellante ten laste van het College een bedrag van € 897,15 toekomt als aanvulling op de algemene bijstand over het jaar 2004;

Bepaalt dat het College over dit bedrag aan appellante de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van 1 april 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

IA