Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08-1165 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering. Met de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante en betrokkene op de datum van belang niet hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Appellante en betrokkene maakten elk afzonderlijk gebruik van de woningen waar zij stonden ingeschreven. Geen sprake van een tijdelijke onderbreking van de samenwoning zoals in geval van een tijdelijke opname in een medische of psychiatrische inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1165 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 januari 2008, 07/1308 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 9 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft vanaf 1 oktober 1987 samengewoond met [N.] (hierna: [N.]). Appellante en [N.] hebben in 1994 een notarieel samenlevingscontract gesloten. Deze overeenkomst verplicht niet tot een betaling van een bijdrage in het levensonderhoud na beëindiging van de samenleving.

1.2. Appellante en [N.] stonden ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Medio 2005 raakt [N.] in de problemen en ging zwerven. Op 1 mei 2006 heeft [N.] zich ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Deze woning staat op een aan de woning van appellante grenzend perceel. [N.] had deze woning gehuurd als tussenstap naar volledige terugkeer in de woning van appellante. [N.] is op 17 augustus 2006 overleden.

1.3. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft de SVB de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering afgewezen op de grond dat appellante geen nabestaande is in de zin van de Algemene nabestaandenwet (Anw), omdat zij ten tijde van het overlijden van [N.] geen gezamenlijke huishouding met hem voerde en [N.] evenmin verplicht was alimentatie te betalen aan appellante.

1.4. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft de SVB het bezwaar tegen het besluit van

13 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

31 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat op het moment van overlijden van [N.] wel sprake was van een gezamenlijke huishouding. Zij heeft aangevoerd dat de inschrijving op verschillende adressen een tijdelijke situatie betrof die slechts drie en een halve maand duurde na een relatie van 24 jaar. Voorts heeft zij er op gewezen dat een gezamenlijke huishouding niet eindigt door tijdelijke opname in een medische of psychiatrische inrichting. Het verblijf van [N.] in de aangrenzende woning moet daarmee gelijk worden gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Anw wordt als nabestaande aangemerkt de echtgenoot van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Anw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

Artikel 3, derde lid, van de Anw bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijken zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw bepaalt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van11 april 2006, LJN AW5381, moet uit de artikelen 1 en 3 van de Anw, in hun onderling verband bezien, worden afgeleid dat met betrekking tot de vraag of een belanghebbende aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering bepalend is de feitelijke situatie op de datum van het overlijden van de verzekerde.

4.3. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [N.] kinderen zijn geboren is voor de beantwoording van de vraag of op 17 augustus 2006 sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [N.] toen hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Volgens vaste jurisprudentie moet de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft daarbij niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.4. Met de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante en [N.] op de datum van belang niet hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Appellante en [N.] maakten elk afzonderlijk gebruik van de woningen waar zij stonden ingeschreven. De enkele omstandigheid dat [N.] door de korte afstand tussen zijn woning en die van appellante de mogelijkheid had om een intensief contact met appellante en hun kinderen te onderhouden, betekent niet dat appellante en [N.] hun woningen op een zodanige manier gebruikten dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. De situatie van appellante en [N.] is niet te vergelijken met een tijdelijke onderbreking van de samenwoning zoals in geval van een tijdelijke opname in een medische of psychiatrische inrichting. [N.] beschikte immers over een eigen woning waar hij stond ingeschreven en maakte van die woning gebruik. Het voortduren van die situatie hing af van de keuzen van appellante en [N.] en het einde van die situatie was niet in zicht.

4.5. Hieruit volgt dat appellante geen aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering en dat deze haar terecht is geweigerd. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SG