Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
09-3180 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pas in hoger beroep is een verklaring overgelegd van M. van Vliet, longarts, van 15 september 2009, waarin onder meer is aangegeven dat de echtgenoot van appellant sinds 1990 bekend is met een atopisch astma bronchiale met een aangetoonde huisstofmijtatopie. De vertegenwoordiger van het College heeft ter zitting aangegeven dat toepassing van het beleid van het College, uitgaande van het gegeven dat de echtgenoot van appellante bekend is met huisstofmijtallergie, zou leiden tot het toekennen van huishoudelijke verzorging in klasse 3. De Raad voorziet zelf. Geen proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3180 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 april 2009, 09/522 en 09/410 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Appellante is ter zitting verschenen in persoon en bijgestaan door mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te Sittard. Het College heeft zich laten vertegenwoordigd door mr. P.J.A. Franssen, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

_________________________________________________________________________

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 16 februari 2009 van het College ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat het College op goede gronden aan het besluit van 16 februari 2009, waarbij gehandhaafd is het besluit om appellante in aanmerking te brengen voor huishoudelijke verzorging voor zwaar huishoudelijk werk, klasse 2 voor een periode van vijf jaar, het medisch advies van een aan Argonaut verbonden arts ten grondslag heeft gelegd. Blijkens dit medisch advies is de echtgenoot van appellante in staat om, uitgezonderd het zwaar huishoudelijk werk, gebruikelijke zorg te leveren. Aan de in bezwaar aangevoerde stelling van appellante dat haar echtgenoot huisstofmijtallergie heeft mocht het College voorbijgaan, nu de echtgenoot hiervan tijdens het medisch onderzoek geen melding heeft gemaakt en hij geen medewerking heeft verleend aan een aanvullend onderzoek. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante in beroep geen medische stukken heeft overgelegd.

In hoger beroep heeft appellante een verklaring overgelegd van M. van Vliet, longarts, van 15 september 2009. In deze verklaring is onder meer aangegeven dat de echtgenoot van appellant sinds 1990 bekend is met een atopisch astma bronchiale met een aangetoonde huisstofmijtatopie.

De vertegenwoordiger van het College heeft ter zitting aangegeven dat toepassing van het beleid van het College, uitgaande van het gegeven dat de echtgenoot van appellante bekend is met huisstofmijtallergie, zou leiden tot het toekennen van huishoudelijke verzorging in klasse 3.

Volgens vaste jurisprudentie van deze Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2009, LJN BH6263) kan in hoger beroep bewijs worden aangedragen van een eerder ingenomen standpunt.

De Raad stelt op grond van hetgeen in beroep naar voren is gebracht vast dat het besluit van 16 februari 2009 op een onjuiste feitelijke grondslag berust en om die reden dient te worden vernietigd. Om dezelfde reden dient ook de uitspraak van de rechtbank te worden vernietigd.

De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het bezwaar tegen het primaire besluit van 28 augustus 2008 gegrond is, dat het besluit van 28 augustus 2008 in zoverre wordt herroepen dat appellante voor de aangegeven periode in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden, klasse 3, en dat het besluit van 28 augustus 2008 voor het overige in stand blijft.

Voorts ziet de Raad aanleiding om het College niet in de proceskosten van appellante te veroordelen, nu appellante eerst in hoger beroep bewijs voor haar stellingen heeft aangedragen, terwijl niet valt in te zien dat zij dit bewijs niet eerder had kunnen verkrijgen en overleggen.

De Raad beslist daarom als volgt:

- Vernietigt de aangevallen uitspraak;

- Vernietigt het besluit van 16 februari 2009;

- Voorziet zelf in de zaak op de wijze als overwogen;

- Bepaalt dat de gemeente Heerlen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

__________________________________________________________________________

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht,

De griffier, De fungerend

voorzitter,