Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
09/3260 BESLU en 09/3265 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De redelijke termijn is met achttien jaar en ongeveer acht maanden overschreden. Dit leidt tot een aan betrokkene te betalen schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van 38 x € 500,- = € 19.000,-. Een bedrag van 13 x € 500,- = € 6.500,- komt ten laste van de Staat (minister van Justitie) , en het resterende bedrag van € 12.500,- komt ten laste van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L

van de mondelinge uitspraak van de

CENTRALE RAAD VAN BEROEP

meervoudige kamer

Datum: woensdag 3 maart 2010

Aanvang: 11.50 uur

Zitting hebben: H. Bolt als voorzitter, T. Hoogenboom en M.C.M. van Laar als leden.

Griffier: T.J. van der Torn.

8e en 9e zaak, reg.nrs.: 09/3260 BESLU en 09/3265 BESLU

Inzake: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) verschenen in persoon,

tegen

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie), (hierna: Staat), vertegenwoordigd door mr. E.C. Gijselaar advocaat te ’s-Gravenhage,

en

betrokkene

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), met voorafgaand bericht niet verschenen.

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2006, 05/2650 in het geding tussen betrokkene en het Uwv.

Op 24 juni 2009 heeft de Raad onder nummer 07/752 uitspraak gedaan op het hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de nummers 09/3260 en 09/3265 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdraag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad heeft naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Nadien heeft het Uwv een schriftelijke uiteenzetting over de overschrijding van de redelijke termijn ingezonden. Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting daarover gegeven. Het Uwv heeft daarop schriftelijk gereageerd.

De gedingen zijn op 3 maart 2010 gevoegd ter zitting behandeld, als voortzetting van de behandeling ter zitting op 6 mei 2009. Betrokkene heeft ter zitting zijn standpunt naar voren gebracht en de Raad verzocht ten spoedigste uitspraak te doen. De Raad heeft na de sluiting van het onderzoek onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI3008).

Gelet op die uitspraak stelt de Raad - met het Uwv, de Staat en betrokkene - vast dat de redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst door de toenmalige Raad van Beroep te Amsterdam van het beroepschrift van betrokkene tegen een besluit van 3 juli 1987. Voorts stelt de Raad vast dat vanaf die dag van ontvangst tot aan de datum van deze uitspraak (3 maart 2010) tweeëntwintig jaren en ongeveer acht maanden zijn verstreken, terwijl er geen aanleiding is de redelijke termijn voor de procedure in haar geheel op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is derhalve met achttien jaar en ongeveer acht maanden overschreden. Dit leidt tot een aan betrokkene te betalen schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van 38 x € 500,- = € 19.000,-.

De overschrijding van de redelijke termijn dient in een situatie als de onderhavige waarin een vernietiging van een besluit leidt tot een hernieuwde behandeling van het beroep in beginsel volledig aan het bestuursorgaan te worden toegerekend. Indien echter sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd is, komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat. De Raad stelt - met het Uwv, de Staat en betrokkene - vast dat in dit geval de voor rekening van de Staat komende periode gesteld dient te worden op in totaal zes en een half jaar.

Dit betekent dat een bedrag van 13 x € 500,- = € 6.500,- ten laste komt van de Staat (minister van Justitie) tot vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, en dat het resterende bedrag van € 12.500,- ten laste komt van het Uwv tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat en het Uwv (ieder voor de helft) te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure, begroot op € 18,14 voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 6.500,-;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 12.500,-;

Veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 9,07;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 9,07.

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht, 3 maart 2010

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn

JL