Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
09-20 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Geen medische gegevens overgelegd waaruit zou blijken dat vervoer per taxi voor hem niet mogelijk is. Het bestreden besluit is gezien de medische adviezen voldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/20 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 november 2008, kenmerk BZ 47469, JZ/P70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1961, is gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat de bij appellant aanwezige psychopathologie in verband staat met de door zijn moeder ondergane vervolging.

1.2. Bij besluit van 26 april 1999 heeft verweerster in bezwaar aan appellant een vergoeding van vervoerskosten voor het onderhouden van sociale contacten toegekend en een aanvraag om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto afgewezen. In augustus 2007 heeft appellant wederom een aanvraag ingediend voor vergoeding van de aanschafkosten van een auto. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 23 oktober 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat deze voorziening op grond van appellants voor toepassing van de Wet aanvaarde psychische klachten niet medisch noodzakelijk dan wel sociaal-medisch wenselijk is, en dat niet is gebleken dat appellant op grond van zijn causale psychische en niet causale lichamelijke klachten geen gebruik kan maken van een taxi.

1.3. Namens appellant is in het beroepschrift aangevoerd dat er ten onrechte geen gericht medisch onderzoek is verricht naar aanleiding van zijn aanvraag. Voorts meent appellant dat hij de gevraagde voorziening op basis van de destijds geldende criteria in samenhang met het beleid ten aanzien van vervolgaanvragen had moeten krijgen, nu de contra-indicatie die er destijds in 1999 was voor het verkrijgen van de voorziening er thans ten tijde van de aanvraag niet meer is. Tenslotte stelt appellant dat hij ook geen gebruik kan maken van het vervoer per taxi.

2. Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hierover overweegt de Raad als volgt.

2.1. De Raad oordeelt vooreerst dat verweerster de aanvraag van appellant van augustus 2007 terecht heeft beoordeeld op basis van het beleid, zoals dat sedert 1 januari 2002 van toepassing is. Dit zou anders zijn, indien er sprake zou zijn van een herhalingsaanvraag, maar dat is niet het geval nu aan appellant niet eerder een vergoeding of tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto is toegekend.

2.2. De Raad heeft, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, in vaste rechtspraak aanvaardbaar geoordeeld het door verweerster gehanteerde uitgangspunt om pas dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken.

2.3. Het standpunt van verweerster dat een zodanige situatie zich in appellants geval niet voordoet is gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, in het bijzonder het advies van de arts Ohlenschlager van 5 november 2008. Bij die advisering zijn mede betrokken informatie uit de behandelende sector en het verslag geneeskundig onderzoek van 27 januari 1999, dat eerder ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 26 april 1999. In die adviezen komt tot uiting dat appellant als gevolg van zijn psychische klachten beperkt is voor het openbaar vervoer, maar dat hij wel in staat is gebruik te maken van vervoer met een taxi.

2.4. Hoewel dus niet kan worden gezegd dat aan het bestreden besluit geen gericht, recent medisch onderzoek ten grondslag is gelegd, kan aan de gemachtigde van appellant worden toegegeven dat het zorgvuldiger zou zijn geweest indien verweerster hem op de hoogte had gesteld van het medisch onderzoek dat naar aanleiding van het door hem ingediende bezwaar alsnog is ingesteld en dat, na een bezoek van de medisch adviseur aan appellant, heeft geleid tot het medisch rapport van 5 november 2008. Nu dit rapport op 1 mei 2009 in het kader van het onderhavige beroep aan de gemachtigde van appellant is toegezonden, is appellant niet in zijn procesbelangen geschaad en behoeven hieraan thans geen gevolgen te worden verbonden.

2.5. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit zou blijken dat vervoer per taxi voor hem niet mogelijk is. Ook de huisarts van appellant geeft in zijn brief van 17 september 2007 aan dat vervoer per taxi wel een mogelijkheid lijkt. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de hiervoor genoemde medische adviezen voldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD