Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
08-4623 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen adequaat besluit genomen op de aanvraag van appellant. Hij heeft verzocht om een vergoeding van de extra kosten voor vakanties in 2008, 2009 en 2010 in verband met meereizen met zijn zoon of dochter per auto, met als bestemming bijvoorbeeld huizen van familieleden in België of Zwitserland. Dat er een medische noodzaak bestaat voor begeleiding bij reizen met openbaar vervoer is niet in geschil. Het door verweerster bij het bestreden besluit toegepaste beleid heeft geen betrekking op deze situatie. Gezien de medische noodzaak is de Raad van oordeel dat appellant in aanmerking moet worden gebracht voor de redelijkerwijs gemaakte en te maken extra kosten voor begeleiding bij een reguliere vakantie per auto. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4623 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 juli 2008, kenmerk BZ 47749, JZ/P70/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant nog nader heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009, waar appellant zoals tevoren was gemeld niet is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Nadat het onderzoek is heropend is het geding opnieuw behandeld ter zitting van 28 januari 2010. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant, geboren in 1950, is met ingang van 1 juli 1984 een periodieke uitkering op grond van de Wet toegekend. Hij is gelijkgesteld met een vervolgde op de grond dat zijn psychische klachten in overwegende mate in verband staan met de bij zijn ouders door de vervolging ontstane ziekten of gebreken. Verder zijn aan hem enkele voorzieningen toegekend.

1.2. Bij brief van 11 januari 2008 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend voor vergoeding van begeleiding bij reguliere vakantie. Nadat een medisch onderzoek had plaatsgevonden is vastgesteld dat appellant vanwege zijn met de oorlogsomstandig-heden in verband staande angstklachten niet in staat is om alleen met het openbaar vervoer te reizen. Begeleiding bij dit reizen werd medisch noodzakelijk geacht. Omdat echter niet was gebleken dat appellant is aangewezen op een speciale, aangepaste vakantie (onder begeleiding) kon een medische noodzaak, gelet op de beleidscriteria, niet worden gesteld. Om die reden heeft verweerster afwijzend op de aanvraag van appellant beslist bij besluit van 14 april 2008, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. In het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies op bezwaar van de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager is het ten behoeve van het primaire besluit ingenomen standpunt herhaald dat appellant niet in staat is om alleen met het openbaar vervoer te reizen en dat begeleiding bij dit reizen medisch noodzakelijk is te achten. Over de door appellant naar voren gebrachte ernstige problemen bij het reizen over wat langere afstanden met de auto, waardoor hij al 11 jaar niet op vakantie is geweest, is geen standpunt ingenomen door deze adviseur. Volstaan is met de vaststelling dat appellant niet is aangewezen op speciaal aangepaste vakantie onder (medische) begeleiding. Dit door verweerster overgenomen standpunt is in beroep, ook na de heropening van het onderzoek, herhaald. Ter zitting is namens verweerster als voorbeeld van speciaal aangepaste reizen in de zin van het toegepaste beleid genoemd het reizen met “de Zonnebloem” of een andere reis onder medische begeleiding.

2.2. De Raad is van oordeel dat geen adequaat besluit is genomen op de aanvraag van appellant. Hij heeft verzocht om een vergoeding van de extra kosten voor vakanties in 2008, 2009 en 2010 in verband met meereizen met zijn zoon of dochter per auto, met als bestemming bijvoorbeeld huizen van familieleden in België of Zwitserland. Dat er een medische noodzaak bestaat voor begeleiding bij reizen met openbaar vervoer is niet in geschil. De stelling van appellant dat dit ook geldt voor (wat langere) reizen per auto is tot en met de tweede zitting in beroep onweersproken. De Raad gaat, gezien alle voorhanden zijnde gegevens, ook van die medische noodzaak uit.

2.3. Het door verweerster bij het bestreden besluit toegepaste beleid heeft geen betrekking op deze situatie. Gezien de medische noodzaak, zoals weergegeven onder 2.2, is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Wet in aanmerking moet worden gebracht voor de redelijkerwijs gemaakte en te maken extra kosten voor begeleiding bij een reguliere vakantie per auto.

3. Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en dient het beroep van appellant gegrond te worden verklaard. Verweerster dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4. De Raad ziet hierin verder aanleiding om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep, tot een bedrag van € 14,18 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van verweerster van 23 juli 2008;

Draagt verweerster op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 14,18.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD