Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
08-2124 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bevordering. Appellant heeft tot de datum van zijn onderhavige verzoek berust in het feit dat aan hem de rang van adjudant-onderofficier was toegekend. Dit betekent dat de in het bestreden besluit vervatte weigering om een voordracht te doen appellant met terugwerkende kracht tot 1 april 2002 te bevorderen in de rang van eerste luitenant tevens het karakter heeft van een besluit inhoudende weigering terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden, aan de staatssecretaris toe te schrijven, functietoewijzingsbesluit, voor zover daarbij aan hem met ingang van 1 april 2002 de rang van adjudant-onderofficier is toegekend. De Raad dient daarom te beoordelen of aan het verzoek van appellant van 26 september 2005 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag hebben gelegen en, zo ja, of de staatssecretaris daarin aanleiding had behoren te vinden een voordracht te doen om aan de bevordering van appellant tot eerste luitenant de door appellant gewenste terugwerkende kracht te verlenen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Geen toezeggingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2124 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 februari 2008, 07/3768 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Rossum, werkzaam bij AFMP/FNV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 april 2002 de functie van coördinator Bureau Projectvoorbereiding Centrale Justitiële Dienst van de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar) toegewezen. Aan die functie was de rang van adjudant-onderofficier verbonden.

1.2. Op 26 september 2005 heeft appellant verzocht om herwaardering van zijn functie met terugwerkende kracht tot 1 april 2002. In reactie op dit verzoek is appellant bij besluit van 17 november 2006 met toepassing van artikel 40 van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (hierna: Beleidsregel) met ingang van

25 september 2005 bevorderd tot eerste luitenant. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 13 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, omdat het bestreden besluit onbevoegd door de Commandant Kmar is genomen. Omdat de rechtbank had vastgesteld dat de staatssecretaris het bestreden besluit voor zijn rekening heeft genomen, heeft de rechtbank onderzocht of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand gelaten kunnen worden. Deze vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord, aangezien zij het bestreden besluit materieel houdbaar acht.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Appellant kan zich in hoger beroep niet met de aangevallen uitspraak verenigen voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellants betoog komt erop neer dat hij zich niet kan verenigen met de bij het bestreden besluit gehandhaafde ingangsdatum van zijn bevordering.

3.2. In de eerste plaats gaat de Raad er, gelet op artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), waarin de bevoegdheid een militair als appellant te bevorderen aan de Kroon is toegekend, van uit dat de staatssecretaris met het besluit van 17 november 2006 heeft beoogd een voordracht aan de Kroon te doen om appellant met ingang van 25 september 2005 te bevorderen tot eerste luitenant, welk besluit bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Bij een dergelijke voordracht is het belang van appellant direct betrokken.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.3. In artikel 40, eerste lid, van de per 1 juni 2004 inwerking getreden Beleidsregel is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien naar aanleiding van de uitkomst van een functiewaarderingsonderzoek bij een bestaande functie sprake is van een verhoging van de rang, de defensie-ambtenaar die deze functie vervult bevorderd wordt tot deze rang. Ingevolge het tweede lid van dat artikel vindt - voor zover hier van belang - een bevordering als bedoeld in het eerste lid plaats te rekenen vanaf het moment dat de aanvraag tot het houden van een functiewaarderingsonderzoek is aangeboden aan het hoofd defensieonderdeel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van het AMAR.

3.4. Op 26 september 2005 heeft appellant een schriftelijk verzoek ingediend tot het houden van een functiewaarderingsonderzoek. De Raad is niet gebleken dat eerder een dergelijk als relevante aanvraag aan te merken schriftelijk verzoek is ingediend. De Raad stelt dan ook vast dat toepassing van artikel 40 van de Beleidsregel betekent dat de staatssecretaris in beginsel slechts een voordracht tot bevordering van appellant heeft gedaan die terugwerkt tot 26 september 2005.

3.5. Voor zover de staatssecretaris bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd de afwijzing een voordracht te doen overeenkomstig appellants verzoek om hem met terugwerkende kracht tot 1 april 2002 te bevorderen tot eerste luitenant overweegt de Raad het volgende.

3.5.1. De Raad stelt vast dat appellant gedurende de gehele periode vanaf het moment dat hem per april 2002 voormelde functie van coördinator is toegewezen tot het moment waarop hij het verzoek van 26 september 2005 heeft ingediend geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het feit dat hem de rang van adjudant-onderofficier was toegekend. Pas door middel van het onderhavige verzoek heeft appellant getracht hierin verandering te brengen. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat appellant tot de datum van zijn onder-havige verzoek heeft berust in het feit dat aan hem de rang van adjudant-onderofficier was toegekend. Dit betekent dat de in het bestreden besluit vervatte weigering om een voor-dracht te doen appellant met terugwerkende kracht tot 1 april 2002 te bevorderen in de rang van eerste luitenant tevens het karakter heeft van een besluit inhoudende weigering terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden, aan de staatssecretaris toe te schrijven, functietoewijzingsbesluit, voor zover daarbij aan hem met ingang van 1 april 2002 de rang van adjudant-onderofficier is toegekend. De Raad dient daarom te beoordelen of aan het verzoek van appellant van 26 september 2005 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag hebben gelegen en, zo ja, of de staatssecretaris daarin aanleiding had behoren te vinden een voordracht te doen om aan de bevordering van appellant tot eerste luitenant de door appellant gewenste terugwerkende kracht te verlenen.

3.5.2. Appellant heeft in zijn verzoek van 26 september 2005 onder andere erop gewezen dat in de evaluatierapporten uit 2000 voorstellen zijn gedaan tot herziening van de rang van de functie van coördinator bureau projectvoorbereiding dan wel tot waardering van deze functie. De Raad is van oordeel dat dit niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, maar als argument dat in het kader van een procedure tegen de in 2002 aan appellant toegekende rang naar voren had kunnen worden gebracht.

3.5.3. Voorts heeft appellant ter ondersteuning van zijn verzoek van 26 september 2005 erop gewezen dat in het evaluatierapport van 11 februari 2004 opnieuw een voorstel is gedaan om de functie van coördinator bureau projectvoorbereiding te waarderen en dat dat bureau in juni 2004 met drie fte’s is uitgebreid. Naar het oordeel van de Raad gaat het daarbij om op zichzelf nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarin heeft de staatssecretaris evenwel geen aanleiding hoeven zien om een voordracht te doen de in 2002 aan appellant toegekende rang te herzien. Bedoeld voorstel en uitbreiding van het bureau betekenen immers nog niet dat de destijds aan appellant toegekende rang onjuist was.

3.5.4. De Raad is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in het bestreden besluit vervatte weigering om een voordracht te doen appellant met terugwerkende kracht tot 1 april 2002 te bevorderen. De staatssecretaris heeft bij appellant niet het rechtens te honoreren vertrouwen gewekt dat appellant na afronding van de reorganisatie in 2004 met terug-werkende kracht tot april 2002 voor bevordering zou worden voorgedragen. Uit de door appellant in dit verband aangewezen notulen van de vergadering van de medezeggen-schapscommissie van 30 juni 2004 blijkt niet dat er toen door het bevoegd orgaan een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan ten aanzien van de ingangsdatum van de bevordering van appellant naar de rang van eerste luitenant. Ten aanzien van de stelling van appellant dat zijn direct leidinggevende eveneens een dergelijke toezegging heeft gedaan, merkt de Raad voorts op dat - wat daar verder ook van is - deze leidinggevende daartoe niet bevoegd was.

4. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet dan ook voor zover in hoger beroep aangevochten - met verbetering van de motivering - worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en H.G. Rottier en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD