Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08-3896 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2008:BD8482, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken. Ongewenste omgangsvormen in het kader van zijn nevenfunctie. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van plichtsverzuim maar heeft de korpsbeheerder niet gevolgd in zijn standpunt dat een verbeterkans geen zin zou hebben. De Raad: De werkgever heeft betrokkene kennelijk niet, althans niet ondubbelzinnig gewezen op de onjuistheid van het gedrag en geen (disciplinaire) maatregel opgelegd. De korpsbeheerder heeft hiertoe wel aanleiding gezien. De rechtbank heeft terecht vastgehouden aan de hoofdregel dat, alvorens kan worden overgegaan tot het verlenen van ongeschiktheidsontslag, een verbeterkans moet worden geboden. Dit spreekt temeer nu een deel van de gedragingen zich in een verder verleden hebben afgespeeld. Voorts kan de Raad er niet aan voorbijzien dat de aan betrokkene verweten gedragingen zich voor het merendeel buiten de gezagssfeer van appellant hebben voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3896 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Fryslân (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 juni 2008, 08/276 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Zwart, werkzaam bij de politieregio Fryslân (hierna: politieregio). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. Lamme, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Lamme c.s..

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak (LJN BD8482). De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is laatstelijk in de politieregio werkzaam geweest in de functie van rechercheassistent met als standplaats [naam standplaats]. Hij oefende daarnaast parttime de nevenfunctie uit van godsdienstleraar aan het [naam college].

1.2. Het Bureau Interne Veiligheid (BIV) van de politieregio heeft op verzoek van appellant een onderzoek ingesteld naar de mogelijk ongewenste beroepshouding van betrokkene. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft appellant bij besluit van 3 januari 2007 (hierna: primair besluit) aan betrokkene op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, subsidiair hem ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp verleend wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken.

1.3. Bij het bestreden besluit van 15 januari 2008 heeft appellant, na gemaakt bezwaar, het primair opgelegde strafontslag laten vervallen en het subsidiair verleende ontslag wegens ongeschiktheid gehandhaafd.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met de opdracht opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen. Aan haar oordeel heeft de rechtbank, samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

2.2.1. De rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen in het kader van zijn nevenfunctie bij het [naam college], bestaande uit het regelmatig en veelal ongewenst aanraken van leerlingen, het vertellen van seksueel getinte moppen bij aanvang van de lessen en in de zogenoemde Time-outruimte, het rechtdraaien van een bh-bandje van een leerlinge en het plaatsen van de handen op de rug en/of buik van een leerlinge (al dan niet in het kader van reiki). De rechtbank was met betrekking tot dit reiki-incident van oordeel dat de door betrokkene ingebrachte verklaringen van de desbetreffende leerlinge en haar moeder niet afdoen aan het feit dat betrokkene meer distantie had dienen te bewaren. Tevens stond genoegzaam vast dat betrokkene bij een opvoering in het kader van de opening van het schooljaar 2003 zijn bovenkleding heeft laten uittrekken door een leerlinge, waardoor betrokkene in zijn zwembroek op het toneel kwam te staan.

Daarnaast zag de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de stagiaire die betrokkene in het kader van zijn politiewerkzaamheden heeft begeleid, waaruit blijkt dat betrokkene haar diverse keren heeft aangeraakt onder meer door een hand op haar bovenbeen te leggen (terwijl zij te kennen gaf daar niet van gediend te zijn) en dat betrokkene ook buiten diensttijd contact met haar heeft gezocht, onder meer door haar op te wachten en met haar op te fietsen.

2.2.2. De rechtbank was met appellant van oordeel dat genoemde gedragingen de grenzen van het toelaatbare overschrijden, met name ook omdat betrokkene in beide functies een voorbeeldfunctie had en daarom van hem mocht worden verwacht dat hij dit soort gedrag nalaat en meer distantie bewaart. Door dit kleverige gedrag heeft betrokkene het aanzien van de politie beschadigd en is sprake van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp. Appellant was dus bevoegd tot het opleggen van een straf, aldus de rechtbank.

2.2.3. De rechtbank is appellant evenwel niet gevolgd in zijn standpunt dat een verbeter-kans in het voorliggende geval geen zin zou hebben omdat betrokkene niet beschikt over het inzicht dat hij zich anders dient te gedragen, hij op het [naam college] reeds vergeefs was aangesproken op zijn gedrag en een verbeterkans niet is vereist indien de betrokkene moest beseffen dat zijn gedrag ontoelaatbaar was. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat in de 33-jarige loopbaan van betrokkene bij de politie nooit eerder van ontoelaatbaar gedrag is gebleken en betrokkene gedurende die tijd goede beoordelingen en functioneringsgesprekken heeft gehad. In dat licht bezien kon naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet worden staande gehouden dat een verbeterkans bij voorbaat zinloos zou zijn. De onderhavige casus laat zich voorts niet vergelijken met de door appellant ingeroepen uitspraak van de Raad van 11 november 2004, LJN AR6110, TAR 2005, 57, reeds omdat het in die zaak (onder meer) ging om feitelijke aanranding van de eerbaarheid door een medewerker basispolitiezorg. Aangezien appellant een eigen verantwoordelijkheid heeft om betrokkene aan te spreken op zijn gedrag, kon appellant zich voorts niet met succes beroepen op de gesprekken die met betrokkene zijn gevoerd op het [naam college], nog daargelaten dat de desbetreffende gesprekken voor betrokkene verder geen gevolgen hebben gehad voor de uitoefening van zijn nevenfunctie en appellants onderzoek naar de precieze inhoud en context van die gesprekken erg summier is geweest, aldus de rechtbank.

2.2.4. De rechtbank kwam tot de slotsom dat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat betrokkene ongeschikt is voor het door hem beklede ambt, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken. Het bestreden besluit was daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen en berustte niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus de rechtbank.

3. Het hoger beroep keert zich gemotiveerd tegen de onder 2.2.3 en 2.2.4 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft herhaald dat, gelet op de aard en ernst van de gedragingen van betrokkene, het geven van een verbeterkans niet nodig was. Betrokkene heeft de stellingen van appellant bestreden.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over het gehandhaafde ongeschiktheids-ontslag en onderschrijft in grote lijnen de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

4.2. De Raad stelt vast dat het [naam college] betrokkene wat betreft de onder 2.2.1 beschreven gedragingen kennelijk niet, althans niet ondubbelzinnig heeft gewezen op de onjuistheid van zijn gedrag. Deze werkgever heeft betrokkene hiervoor ook geen (disciplinaire) maatregel opgelegd. De korpsbeheerder heeft hiertoe wel aanleiding gezien. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in het voorliggende geval echter terecht vastgehouden aan de hoofdregel dat, alvorens kan worden overgegaan tot het verlenen van ongeschiktheidsontslag, een verbeterkans moet worden geboden. Dit spreekt temeer nu een deel van de onder 2.2.1 beschreven gedragingen zich in een verder verleden hebben afgespeeld. Voorts kan de Raad er niet aan voorbijzien dat de aan betrokkene verweten gedragingen zich voor het merendeel buiten de gezagssfeer van appellant hebben voorgedaan. Alles bijeengenomen kan niet met vrucht worden staande gehouden dat de ernst van het gedrag van betrokkene, hoe ongewenst ook, dusdanig is geweest dat appellant zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol was. In zoverre kan het thans berechte geval ook naar het oordeel van de Raad niet op één lijn worden gesteld met de zaak die ten grondslag heeft gelegen aan de eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 11 november 2004.

5. De Raad kan de rechtbank dus volgen waar zij het bestreden besluit heeft vernietigd. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het primaire besluit en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen. Voor zover de rechtbank bij de aangevallen uitspraak aan appellant opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, moet de uitspraak worden vernietigd.

6. Proceskosten

6.1. Naar aanleiding van de door betrokkene gevraagde integrale vergoeding van proceskosten wijst de Raad erop, dat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een limitatief stelsel van forfaitaire vergoedingen kent. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden, is de Raad niet gebleken. Dit brengt mee dat betrokkene aanspraak heeft op vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 41,- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 685,-.

7. Schade

7.1. Betrokkene heeft de Raad voorts verzocht toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb. Voor zover betrokkene heeft beoogd te verzoeken dat de Raad appellant met toepassing van artikel 8:73 van de Awb veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding bestaande in proceskosten die, gelet op het onder 6.1 overwogene, niet met toepassing van art. 8:75 Awb worden vergoed, moet dat verzoek worden afgewezen. Aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt, is naar vaste rechtspraak van de Raad voor een (aanvullende) vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats.

7.2. Ter zake van de overige genoemde schadeposten kan de Raad de omvang van de schade thans niet vaststellen. Daarom zal de Raad ter voorbereiding van een nadere uitspraak met betrekking tot de vaststelling van de omvang van de schade van betrokkene, met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek heropenen. De gedingstukken worden hiertoe in handen gesteld van de voorzitter. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld zijn verzoek te specificeren en toe te lichten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Herroept het primaire besluit;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 10/1416 AW ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding en stelt de stukken daartoe in handen van de voorzitter;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 685,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD