Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
08-4553 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens plichtsverzuim bestaande uit het vanaf de werkplek op grote schaal pornografische en sm-sites bezoeken en het vanaf zijn e-mailadres op het werk e-mailberichten verzenden aan sm-sites. Werkgever is niet verwijtbaar tekortgeschoten in de begeleiding van betrokkene na de eerste constatering van plichtsverzuim. Ook al was er sprake van verminderde toerekenbaarheid bij betrokkene, de aard en ernst van het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim zijn zodanig, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. De staat van dienst en de zeer ingrijpende gevolgen die deze straf voor betrokkene heeft, geven de Raad onvoldoende aanleiding om tot een andere conclusie te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4553 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het Dagelijks bestuur van de Regio Twente, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 juli 2008, 07/1130 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene )

en

appellant

Datum uitspraak: 11 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een nader stuk ingezonden, waarop appellant schriftelijk heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle, en door H.N. Bolhaar en ing. A. Groos, beiden werkzaam bij de Regio Twente. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. van der Zandt, werkzaam bij de AbvaKabo FNV.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1979 werkzaam bij (een rechtsvoorganger van) de Regio Twente, laatstelijk in de functie van oefencoördinator bij de sector Hulpverleningsdienst.

1.2. In maart 2005 is tijdens een routinecontrole gebleken dat betrokkene vanaf zijn werkplek op grote schaal pornografische en sm-sites had bezocht. Op 24 maart 2005 is hij hierop aangesproken door ing. A. Groos, directeur van de sector Hulpverleningsdienst. Betrokkene heeft erkend dat hij deze sites frequent en vaak langdurig heeft bezocht en heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Hem is duidelijk gemaakt dat dit gedrag terstond dient op te houden. Betrokkene is een exemplaar van het privacyreglement e-mail en internetgebruik Regio Twente (hierna: privacyreglement) overhandigd en meegedeeld dat bij herhaling passende disciplinaire maatregelen worden getroffen.

1.3. In januari 2006 is bij een onderzoek, naar aanleiding van een storingsmelding van betrokkene, gebleken dat hij opnieuw vanaf zijn werkplek op grote schaal pornografische en sm-sites had bezocht. Tevens is gebleken dat hij vanaf zijn e-mailadres op het werk e-mailberichten had verzonden aan sm-sites waarin hij zich aanbood als slaaf, onder beschrijving van de verrichtingen waaraan hij onderworpen wilde worden.

1.4. Bij brief van 15 februari 2006 heeft appellant betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Betrokkene heeft mondeling zijn zienswijze over dit voornemen gegeven. Daarbij heeft hij de hem verweten gedragingen erkend, maar gesteld dat deze hem vanwege een psychisch defect niet kunnen worden toegerekend.

1.5. Appellant heeft hierin aanleiding gezien betrokkene door een psychiater te laten onderzoeken. Nadat gebleken was dat psychiater R.J. ten Kate geen eenduidig antwoord kon geven op de hem voorgelegde vragen, heeft appellant de vraagstelling voorgelegd aan psychiater C.J.F. Kemperman. Deze heeft in zijn rapport van 20 oktober 2006 geconcludeerd dat de obsessionele gerichtheid en volgende impulsstoornis bij betrokkene een hevige drang met zich meebrachten, waardoor het voor betrokkene erg moeilijk was hieraan weerstand te bieden. Hierdoor werd hij aanzienlijk beperkt in zijn wilsvrijheid, maar het voert te ver om te stellen dat hij geen gedragsalternatieven beschikbaar had. Voorts was er sprake van een afweer van voor hem onwelgevallige gevoelens, waardoor hij onvoldoende kon onderkennen hoe ernstig zijn problemen op dat moment waren. Hierdoor was betrokkene aanzienlijk beperkt in zijn mogelijkheden om hulp te zoeken, maar er was nog wel enige wilsvrijheid aanwezig, aldus Kemperman.

1.6. Bij besluit van 7 december 2006 heeft appellant betrokkene de straf van ongevraagd ontslag opgelegd, ingaande 16 december 2006. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 3 september 2007 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant te snel heeft aangestuurd op de zwaarste disciplinaire maatregel, zijnde het strafontslag. Appellant is na de eerste ontdekking tekortgeschoten in de begeleiding van betrokkene. Gelet op de medische rapportages, waaronder met name die van Kemperman, op de staat van dienst en op de zeer ingrijpende gevolgen van deze disciplinaire maatregel voor betrokkene, heeft appellant in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de verschillende belangen niet, dan wel niet op de juiste manier, tegen elkaar afgewogen, aldus de rechtbank.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat aard en omvang van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim niet in geding zijn. Partijen zijn slechts verdeeld over de vragen of, en zo ja, in hoeverre het plichtsverzuim aan betrokkene kan worden toegerekend en of, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het strafontslag niet onevenredig is.

3.2. Wat betreft de toerekenbaarheid moet de Raad vaststellen, dat de conclusies die in de medische rapporten zijn geformuleerd over de mate van wilsvrijheid van betrokkene met betrekking tot de verweten gedragingen en met betrekking tot het zelf tijdig inroepen van hulp, uiteenlopen. Psychiater Ten Kate heeft de gestelde vragen niet eenduidig beantwoord; aan zijn rapportage zal de Raad, evenals appellant, voorbijgaan. Psychiater Kemperman heeft, zoals hierboven in rechtsoverweging 1.5 is weergegeven, appellant wel beperkt geacht, maar niettemin enige wilsvrijheid aanwezig geacht met betrekking tot de gedragingen en het vragen om hulp. Psychiater C.H. Lunter, bij wie betrokkene sinds 3 februari 2006 onder behandeling was, heeft in een verklaring van 29 oktober 2008 het standpunt ingenomen, dat er bij betrokkene sprake was van een door een psychische ziekte veroorzaakte massieve afsplitsing van het gevoelsleven, waardoor betrokkene in het geheel niet in staat was zich van het hem verweten gedrag te onthouden. Weliswaar was er een vaag bewustzijn van laakbaarheid, doch onvoldoende om werkelijk de ernst van de problematiek te onderkennen, laat staan actie te ondernemen.

3.3. Evenals de rechtbank kent de Raad doorslaggevend gewicht toe aan de rapportage van de onafhankelijke deskundige Kemperman. Appellant heeft er niet ten onrechte op gewezen, dat de rapportage van Lunter - bijvoorbeeld waar zij stelt dat het werk van betrokkene niet onder zijn de hem verweten gedragingen leed - laat zien, dat zij niet volledig op de hoogte was van de aard en omvang van de gedragingen van betrokkene.

Om die reden laat de Raad deze rapportage ter zijde.

3.4. Uit de rapportage van Kemperman leidt de Raad af dat in de periode waarin de verweten gedragingen plaatsvonden er momenten waren waarop betrokkene zich bewust was van het laakbare van zijn gedrag en in staat was hulp te vragen. Betrokkene kan dan ook in zoverre verantwoordelijk worden gehouden voor zijn gedrag.

De Raad is voorts van oordeel dat het betrokkene, na de niet mis te verstane waar-schuwing die zijn directeur hem had gegeven, ernstig kan worden aangerekend dat hij zich actief vanaf het e-mailadres van de regio per e-mailbericht heeft aangeboden voor sm-kontakten. De Raad acht het niet voorstelbaar dat betrokkene zich op geen enkel moment bewust is geweest van het laakbare van dit gedrag, van de aanzienlijke schade die hij daarmee toebracht aan de reputatie van de regio, en van de noodzaak - al was het maar in de privé-sfeer - hulp in te roepen bij de bestrijding van zijn obsessie. Ook kan de Raad geen geloof hechten aan de verklaring van betrokkene, dat hij zich niet bewust is geweest van de ernst van de waarschuwing, die hij op 24 maart 2005 van zijn directeur kreeg.

3.5. De Raad deelt niet het oordeel van de rechtbank, dat appellant verwijtbaar is tekortgeschoten in de begeleiding van betrokkene na de eerste constatering van plichtsverzuim in maart 2005. Betrokkene heeft toentertijd niet om begeleiding of hulp gevraagd en de directeur die de zaak - juist in het belang van betrokkene - met grote discretie wilde behandelen wist niet en behoefde niet te weten van de psychische toestand van betrokkene.

3.6. De Raad is voorts van oordeel dat - ook al was er sprake van verminderde toerekenbaarheid bij betrokkene - de aard en ernst van het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim zodanig zijn, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. De staat van dienst en de zeer ingrijpende gevolgen die deze straf voor betrokkene heeft, geven de Raad onvoldoende aanleiding om tot een andere conclusie te komen.

Dit leidt tot de slotsom dat de rechtbank ten onrechte tot schending van artikel 3:4 van de Awb heeft geconcludeerd.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep dat betrokkene tegen het bestreden besluit heeft ingesteld moet ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD