Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
08-2422 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing schadeposten. De Raad stelt vast dat het vastgestelde bedrag van € 3.578,66 ter vergoeding van door de minister ingehouden FPU-premies conform de door appellant ingediende berekening is vastgesteld en dat vergoeding van het werkgeversdeel niet eerder ter sprake is geweest. Dit punt kan, wegens strijd met de goede procesorde, niet in de beoordeling worden betrokken. De Raad overweegt verder dat de gemiste uitkeringen niet zijn aan te merken als financiële schade, die appellant heeft geleden ten gevolge van het gedurende twee jaar onrechtmatig aan appellant onthouden FPU-arrangement. Appellant zou in die periode geen hoger inkomen hebben kunnen bereiken dan hetgeen hij heeft genoten, te weten het bedrag van zijn volle bezoldiging. Neveninkomsten zouden, voor zover deze meer bedroegen dan 30% van het pensioengevend inkomen, zijn geanticumuleerd. Het gegeven dat de minister ten gevolge van de latere ingangsdatum van het FPU-arrangement van appellant langere tijd van diens arbeidsprestaties heeft kunnen genieten kan niet leiden tot een schadepost bij appellant. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister deze schadepost terecht heeft afgewezen. Geen recht op vergoeding van immateriële schade. Overschrijding redelijke termijn komt in haar geheel voor rekening van het bestuur. Toewijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2422 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 maart 2008, 07/691 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister

Datum uitspraak: 18 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Appellant is toen niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Schouten, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch. Na de behandeling is het onderzoek heropend. Het onderzoek is hervat ter zitting van 25 februari 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door J. Zeegers en de minister was opnieuw vertegenwoordigd door mr. I.M. Schouten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit op bezwaar van 1 november 2005 is de weigering om appellant gebruik te laten maken van de Tijdelijke Regeling FPU PLUS VROM 2004 (hierna: VROM-regeling) gehandhaafd. In de loop van het beroep tegen dat besluit heeft de minister dat besluit, naar aanleiding van de uitspraak van deze Raad van 7 september 2006, LJN AY8130 en TAR 2006, 190, bij besluit van 1 november 2006 ingetrokken, het bezwaar gegrond verklaard en appellant alsnog naar analogie van de VROM-regeling een FPU-arrangement aangeboden, met, in het kader van de beoordeling of er termen aanwezig zijn om schade te vergoeden, vergoeding van de kosten van het instellen van bezwaar en beroep volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Appellant, die heeft ingestemd met het arrangement ingaande 1 maart 2007, heeft het beroep bij de rechtbank voortgezet omdat hij meer schade vergoed wenste te krijgen.

1.2. Bij uitspraak van 28 februari 2007, 05/2126, heeft de rechtbank Zutphen overwogen dat in het besluit van 1 november 2006 ten onrechte geen aandacht is besteed aan andere schadeposten dan de kosten van bezwaar en beroep. Het besluit is vernietigd en de minister is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

1.3. Ter uitvoering van die uitspraak heeft de minister bij besluit van 3 augustus 2007 overwogen dat geen grond bestaat voor vergoeding van materiële dan wel immateriële schade zoals door appellant gevraagd. Met name bestaat geen aanleiding om appellant alsnog de tussen 1 maart 2005 en 1 maart 2007 niet ontvangen uitkeringen ingevolge het FPU-arrangement toe te kennen. Voorts bestaat geen aanleiding om immateriële schade te vergoeden, omdat geen sprake is van geestelijk leed. In dit besluit is voorts opgemerkt dat het aanbod van € 12.500,-, gedaan bij brief van 29 december 2006, gebaseerd was op coulanceoverwegingen en inmiddels was ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat op het salaris van appellant in de periode van 1 maart 2005 tot 1 maart 2007 FPU-premies zijn ingehouden die niet zouden zijn ingehouden als appellant per 1 maart 2005 gebruik had kunnen maken van de VROM-regeling, zodat het verzoek van appellant om vergoeding van die schade ten onrechte is afgewezen. De overige schadeposten zijn bij het bestreden besluit terecht afgewezen. Teneinde het geschil definitief te beslechten heeft de rechtbank overeenkomstig de berekening van appellant de schadepost met betrekking tot de FPU-premies vastgesteld op € 3.578,66 en haar uitspraak in zoverre in de plaats gesteld van het vernietigde besluit.

3. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat zijn overige schadeposten terecht zijn afgewezen. Blijkens zijn hoger beroepschrift gaat het daarbij uitsluitend nog om nabetaling van de niet genoten FPU-uitkeringen over de periode 1 maart 2005 tot 1 maart 2007 en om nakoming van de toezegging een bedrag van € 12.500,- als gratificatie te betalen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ter zitting heeft appellant alsnog de juistheid van het hem per 1 maart 2007 toegekende FPU-arrangement aan de orde gesteld. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit van 3 augustus 2007 daarover niet gaat en daar niet over hoefde te gaan. Ingevolge de onder 1.2 genoemde en in kracht van gewijsde gegane uitspraak moest de minister een nieuw besluit nemen over de schade. De Raad kan daarom op die stelling van appellant niet ingaan, zij valt buiten de omvang van dit geding.

4.2. Eveneens eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat het door de rechtbank vast-gestelde bedrag van € 3.578,66 ter vergoeding van door de minister ingehouden FPU-premies te laag is, omdat daarbij mede betrokken moet worden het zogeheten werk-geversdeel van die premies. De Raad stelt vast dat het bedrag conform de door appellant ingediende berekening is vastgesteld en dat vergoeding van het werkgeversdeel niet eerder ter sprake is geweest. Dit punt kan, wegens strijd met de goede procesorde, niet in de beoordeling worden betrokken.

4.3. Onder verwijzing naar de partijen bekend zijnde uitspraak van de Raad van 2 april 2009, LJN BI1721 en TAR 2009, 128, overweegt de Raad verder dat de gemiste uitkeringen niet zijn aan te merken als financiële schade, die appellant heeft geleden ten gevolge van het gedurende twee jaar onrechtmatig aan appellant onthouden FPU-arrangement. Appellant zou in die periode geen hoger inkomen hebben kunnen bereiken dan hetgeen hij heeft genoten, te weten het bedrag van zijn volle bezoldiging. Neveninkomsten zouden, voor zover deze meer bedroegen dan 30% van het pensioengevend inkomen, zijn geanticumuleerd. Het gegeven dat de minister ten gevolge van de latere ingangsdatum van het FPU-arrangement van appellant langere tijd van diens arbeidsprestaties heeft kunnen genieten kan niet leiden tot een schadepost bij appellant. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister deze schadepost terecht heeft afgewezen.

4.4. Eveneens onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak is de Raad van oordeel dat appellant aan het aanbod van de minister van 29 december 2006 geen recht op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen, nu het hier een schikkingsaanbod betrof en de minister hiermee niet heeft erkend dat appellant voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade heeft geleden. De Raad acht niet aannemelijk geworden dat de situatie van appellant verschilde van die waarover in genoemde uitspraak is beslist.

4.5. Appellant heeft in een schriftelijke reactie op de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad laten weten ook in aanmerking te willen komen voor de in die zaak aan de betrokken ambtenaar door de Raad toegekende schade wegens gedurende twee jaar gemiste vrije tijd. Nu van de zijde van de minister ter zitting is verklaard dat besloten is om appellant een gelijke vergoeding voor gemiste vrije tijd toe te kennen en dat het bedrag, verhoogd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2005 in totaal (thans) € 14.015,21 bedraagt, bestaat hierover, naar ter zitting is erkend, tussen partijen geen verschil van mening meer.

4.6. Tot slot heeft appellant ter zitting gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Raad stelt vast dat van overschrijding van die termijn sprake is. Ook om die reden kan het bestreden besluit geen stand houden. Nu de rechtbank dat besluit reeds heeft vernietigd komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

4.7. Gerekend vanaf het moment waarop appellant bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering eind februari 2005 hem een FPU-arrangement toe te kennen is meer dan vier jaar verstreken als in de zaak door de Raad uitspraak wordt gedaan. De overschrijding bedraagt ongeveer een jaar. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake geweest, zodat de overschrijding in haar geheel voor rekening van het bestuur komt. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat er sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. Appellant komt dus een schade toe van twee maal € 500,-, zijnde € 1.000,-.

5. Gelet op het vorenstaande bestaat voorts aanleiding de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand alsmede € 22,64 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade aan appellant tot een bedrag van € 1.000,-;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 344,64;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 216,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD