Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
09-3616 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3616 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2009, 09/3968 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarna appellant nadere stukken heeft ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010, waar appellant is verschenen met mr. A.W. van Duijnhoven, kantoorgenoot van mr. De Hoop, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep van appellant is gericht tegen het besluit van 24 juli 2008 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 5 februari 2008. Daarbij is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 april 2008 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is onder verwijzing naar de informatie van psychiater G.C. Zwartjes herhaald dat appellant medisch niet in staat is om reguliere arbeid te verrichten. Indien arbeid al mogelijk is, zouden deze werkzaamheden in een beschermde werkomgeving moeten plaatsvinden. Ter bevestiging van dit standpunt zijn in hoger beroep verklaringen van de behandelend psychiater G. de Ruiter overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft geen reden gevonden om de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor onjuist te houden. De Raad is het met de rechtbank eens dat de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté afdoende heeft uiteengezet dat de bevindingen van psychiater Zwartjes geen aanleiding geven om de belastbaarheid van appellant bij te stellen. Ook in hoger beroep is naar het oordeel van de Raad door deze bezwaarverzekeringsarts genoegzaam gereageerd op de gegevens van de voormelde psychiater De Ruiter.

4.2. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant in de FML juist zijn gewaardeerd, heeft de Raad voorts geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan de in aanmerking genomen functies niet passend zijn voor appellant.

5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

EK