Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
09-4015 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad kan zich geheel scharen achter het oordeel van de rechtbank en de geformuleerde overwegingen. Dat betekent dat ook de Raad van oordeel is dat niet is gebleken van een toereikend objectief-medisch substraat voor een urenbeperking, zoals door de deskundige voorgestaan en door appellant bepleit. Gelet op de over appellant beschikbare gegevens van medische aard, kan evenmin een objectief-medisch verband met ziekte of gebrek worden aangenomen op de grond dat bij de onafhankelijk medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat appellant als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was de betreffende arbeid voltijds te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4015 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 juni 2009, 07/381 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.R. Oude Middendorp, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010.

Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 29 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv - beslissend op bezwaar - gehandhaafd zijn besluit van 12 september 2006 tot intrekking van de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 13 november 2006, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per laatstgenoemde datum is afgenomen naar minder dan 15%.

2.1. De rechtbank heeft zich met de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen. Zij heeft evenwel het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat - kort samengevat - pas in beroep afdoende door het Uwv is gemotiveerd dat de drie uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies geschikt zijn te achten voor appellant. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven en heeft beslissingen gegeven over de vergoeding aan appellant van het griffierecht en de proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft haar oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit doen steunen op de door haar benoemde deskundige R. Graveland, psychiater, uitgebrachte rapporten van 17 maart 2008 en 30 augustus 2008. Zij heeft daarbij tevens uitvoerig gemotiveerd waarom zij op het punt van de door Graveland voorgestelde urenbeperking afwijkt van het in de rechtspraak verankerde uitgangspunt dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter benoemde, deskundige dient te worden gevolgd. Daaromtrent heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak, onder aanduiding van appellant als eiser, het volgende overwogen:

“Graveland beschrijft in zijn rapportage van 6 maart 2008 de vicieuze cirkel waarin eiser terecht is gekomen. De klachten die bij eiser waren ontstaan als gevolg van het ongeval, hebben geleid tot piekeren en een fatalistische gedachtestroom. Daardoor is er bewegingsangst ontstaan, angst voor verergering van de klachten, vervolgens vermijdingsgedrag, afname van conditie en verlies van perspectief waardoor de klachten zijn toegenomen en de cyclus wordt versterkt. In psychiatrische zin zijn er bij eiser geen ernstige problemen. Daardoor en omdat er chronische lichamelijk klachten zijn zonder organisch substraat, kan in psychiatrische zin alleen gesproken worden van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Verder wijst Graveland er op dat eiser na het ongeval niet de adviezen en begeleiding heeft gehad die volgens de meest recente medische inzichten hadden moeten worden gegeven. De jarenlange pogingen eiser van zijn klachten af te helpen hebben er eerder toe geleid dat de klachten zijn toegenomen. Eiser houdt niet moedwillig vast aan zijn klachten, maar hij zit gevangen tussen lichamelijk beleefde klachten en het ontbreken van een adequate reactie van medici op zijn probleem. Eiser heeft de overtuiging niet te kunnen werken en is het leven gaan leiden van een gehandicapte. Dit is volgens Graveland een bizarre realiteit. Objectief medisch is eiser in staat te werken. Het dilemma is dat eiser vanuit zijn whiplashsyndroom inderdaad arbeidsongeschikt lijkt, maar dat nu juist de behandeling van het bij eiser geconstateerde syndroom is gericht op reactivatie en re-integratie. Daarom lijkt het Graveland redelijk om tot een compromis te komen. Een urenbeperking van twintig uur komt zowel tegemoet aan de klachten van eiser als aan de activatie die nuttig is voor de behandeling van het syndroom.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. In dit geval zijn er echter feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dat uitgangspunt af te wijken voor wat betreft de door Graveland aangenomen beperkingen van eiser. De rechtbank onderschrijft het door Graveland gegeven verklaringsmodel voor de klachten van eiser, dat wil zeggen het geconstateerde syndroom. Zij ziet ook het door Graveland beschreven spanningsveld tussen de door eiser ervaren arbeidsongeschiktheid en de vereiste therapie bestaande uit reactivatie en re-integratie. Op grond van het wettelijke kader kan dit echter niet leiden tot het aannemen van beperkingen. Graveland heeft immers expliciet vastgesteld dat eiser niet lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening en dat hij objectief medisch in staat is tot werken. (zie in overeenkomstige zin Centrale Raad van Beroep (CRvB) 22 mei 2007, LJN BA0614). Verder veronderstelt de urenbeperking van twintig uur dat daadwerkelijk maatregelen worden genomen om eiser te reactiveren en te re-integreren. Dat was echter op de datum in geding niet het geval, terwijl helemaal niet zeker is dat eiser aan dergelijke maatregelen zou deelnemen.”

3. In hoger beroep, dat zich uitsluitend richt tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de deskundige Graveland op het punt van de urenbeperking niet heeft gevolgd. Appellant meent dat de bij hem aanwezige beperkingen voldoende zijn geobjectiveerd en dat het aannemen van een urenbeperking in de rede had gelegen.

4. Het hoger beroep spitst zich aldus toe op de vraag of de rechtbank met betrekking tot de urenbeperking op goede gronden is afgeweken van het oordeel van haar deskundige.

5. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Hij kan zich geheel scharen achter het oordeel van de rechtbank en de daartoe - hiervoor in overweging 2.2 aangehaalde - geformuleerde overwegingen. Dat betekent dat ook de Raad van oordeel is dat niet is gebleken van een toereikend objectief-medisch substraat voor een urenbeperking, zoals door de deskundige voorgestaan en door appellant bepleit. Gelet op de over appellant beschikbare gegevens van medische aard, kan evenmin een objectief-medisch verband met ziekte of gebrek worden aangenomen op de grond dat bij de onafhankelijk medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat appellant als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was de betreffende arbeid voltijds te verrichten.

6. Uit de overwegingen 2.1 tot en met 5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.E.P.M. Bary.

GdJ