Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
09-2825 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante tot 15-25% is afgenomen. De reactie van de bezwaarverzekeringsarts overtuigt de Raad. Met de rechtbank ziet hij geen aanleiding om de FML voor onjuist te houden. De geschiktheid van de functies heeft de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2825 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 april 2009, 08/2535 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 19 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante stelde mr. I. Stolting, advocaat te Roosendaal, hoger beroep in en legde een verklaring van de appellante behandelende neuroloog van 9 juni 2009 over.

Het Uwv voerde verweer en bracht daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 8 juli 2009 in het geding.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 5 februari 2010, waar het Uwv zich liet vertegenwoordigen door L. den Hartog en appellante verscheen met bijstand van mr. Stolting.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 16 april 2008 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij herroept het Uwv zijn besluit van 5 december 2007 en verlaagt hij de WAO-uitkering van appellante per 6 februari 2008, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante tot 15-25% is afgenomen.

2. De rechtbank verwierp de beroepsgrond dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. Zij verklaarde het beroep niettemin gegrond, omdat de geschiktheid van de functies pas in beroep voldoende door het Uwv was toegelicht. De rechtsgevolgen van het besluit van 16 april 2008 liet de rechtbank in stand.

3. Het hoger beroep keert zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. Appellante herhaalt dat haar medische beperkingen zijn onderschat en zij beroept zich daarbij op de neurologische verklaring van 9 juni 2009. Appellante meent volledig arbeidsongeschikt te zijn vooral als gevolg van vermoeidheidsklachten.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante voor haar werk als gezinsverzorgende om medische redenen niet langer geschikt is. Dat werk moest zij met ingang van augustus 1992 staken in verband met sarcoïdose.

4.2. De (bezwaar)verzekeringsarts onderschrijft dat appellante medische beperkingen ondervindt. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De langere tijd gehanteerde duurbeperking liet de (bezwaar)verzekeringsarts in 2007 vervallen, waarbij zij in haar rapport van 31 oktober 2007 vooral verwijst naar het gegeven dat de sarcoïdose al lange tijd inactief is.

4.3.1. De door appellante in beroep overgelegde neurologische informatie bevestigt dat de sarcoïdose inactief is, ook al vestigt de informatie de aandacht op de beperkingen van de huidige methoden om een inflammatoir lijden te meten. Verder verwijst de neuroloog naar algemene medische literatuur uit 1999 waaruit naar voren komt dat het doseren van activiteiten van uiterst belang is. In de praktijk blijkt zowel “ondervragen” als “overvragen” schadelijk. De neuroloog uit verder kritiek op een aantal items in de FML.

4.3.2. De bezwaarverzekeringsarts pareert deze kritiek in zijn rapport van 8 juli 2009 en wijst in dat verband op het algemene, niet op de specifieke situatie van appellante gerichte karakter van de informatie met de reactie:

“Deze acht ik niet bewijzend voor het aan moeten nemen van de geadviseerde beperkingen (..). Enkele voorbeelden: er wordt gesteld, dat de stofblootstelling beperkt zou zijn. Betrokkene heeft echter op dit aspect in het geheel geen klachten. Ik wil er in dat verband op wijzen, dat belanghebbende ten tijde van het spreekuur (..) sinds meerdere jaren niet meer onder behandeling was bij de longarts. Ik ga er met deze gegevens vanuit, dat (..) als ‘normaal’ aangegeven belasting op dat aspect mogelijk moet zijn, wat overigens zeker geen extreme mate van stofbelasting of andere blootstelling aan luchtwegprikkelende stoffen betekent, gezien de relatief lage normaalwaarden (..). De neurologen geven aan, dat betrokkene op basis van haar postuur niet meer dan 15 kgf zou kunnen duwen en trekken. Postuur is hierbij niet bepalend; ziekte of gebrek is wel bepalend. Het trekken of duwen van 15 kgf (..) wordt reeds door een lichaamsgewicht van 60 kg gemakkelijk mogelijk gemaakt.”

4.3.3. Deze reactie van de bezwaarverzekeringsarts overtuigt de Raad. Met de rechtbank ziet hij geen aanleiding om de FML voor onjuist te houden.

4.4. De geschiktheid van de functies heeft de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende toegelicht.

5. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

KR