Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
09-4344 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Door het recht op bijstand van appellante te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding, heeft het College een onjuiste maatstaf aangelegd. Het College had moeten beoordelen of appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en om die reden als ongehuwd diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Appellante leefde niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot. Vernietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4344 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 juni 2009, 09/95 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 februari 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante is gehuwd met [naam echtgenoot] (hierna: echtgenoot), met wie zij een kind heeft. Aan appellante is met ingang van 14 november 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het College de aan appellante toegekende bijstand ingetrokken over de periode van 1 februari 2008 tot en met 5 mei 2008 en voorts aan appellante met ingang van 6 mei 2008 bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 18 december 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 september 2008, dat zich richtte tegen de intrekking van de bijstand, ongegrond verklaard. Het College heeft hiertoe overwogen dat appellante gedurende de periode van 1 februari 2008 tot en met 5 mei 2008 een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot, dat zij daarvan niet onverwijld mededeling heeft gedaan en dat zij ten aanzien daarvan de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 december 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de intrekking van de aan appellante toegekende bijstand over de periode van 1 februari 2008 tot en met 5 mei 2008.

4.2. Vaststaat dat appellante in de periode van 1 februari 2008 tot en met 5 mei 2008 was gehuwd met haar echtgenoot. Door het recht op bijstand van appellante te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding, heeft het College een onjuiste maatstaf aangelegd. Het College had moeten beoordelen of appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef, en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook, evenals het besluit van 18 december 2008, voor vernietiging in aanmerking.

4.3. De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.4. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.5. Uit het onderzoeksrapport van 12 september 2008 blijkt dat appellante op 15 augustus 2008 heeft verklaard dat zij in februari 2008 op het adres [adres 1] te Groningen een kamer heeft verhuurd aan de heer [B.] en sedertdien niet meer heeft verbleven op dit adres, maar op het adres [adres 2] te Groningen verbleef. Niet in geschil is dat ten tijde in geding op het adres [adres 2] de echtgenoot van appellante woonachtig was.

4.6. Op grond van hetgeen onder 4.5 is overwogen, staat naar het oordeel van de Raad genoegzaam vast dat appellante in de periode van 1 februari 2008 tot en met 5 mei 2008 niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Dit betekent dat appellante en haar echtgenoot met het tot hun ten laste komende kind, ten tijde hier van belang als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, ten tweede, van de WWB moesten worden beschouwd en dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.7. Aangezien appellante geen mededeling heeft gedaan van de omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, heeft zij de ingevolge artikel 17 van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.8. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2008 tot en met 5 mei 2008 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.9. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 december 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-- aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SG