Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
09-4499 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juiste vaststelling eerste ziektedag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts ten aanzien van de eerste ziektedag. De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat het Uwv de eerste ziektedag op een eerdere datum dan 2 april 2007 had moeten stellen. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4499 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juni 2009, 08/1271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Demirtas, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellant is verschenen in tegenwoordigheid van zijn gemachtigde, mr. Demirtas voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 25 juli 2006 heeft het Uwv besloten om de WAO-uitkering van appellant per 6 september 2006 te bëeindigen, aangezien appellant op deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.2. Bij brief van 9 augustus 2007 heeft appellant het Uwv verzocht om een herkeuring omdat hij niet in staat is arbeid te verrichten, waarbij hij heeft verwezen naar zijn ziekenhuisopname op 2 april 2007. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2007 appellant een WAO-uitkering toegekend met ingang van 30 april 2007, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 23 oktober 2007 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 maart 2008 ingediende beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat zij in het dossier geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het Uwv bij de toekenning van de uitkering ten onrechte is uitgegaan van 2 april 2007 als datum van ziekmelding. De rechtbank volgt appellant niet in zijn betoog dat het Uwv uit eigen beweging zijn gezondheidstoestand had moeten beoordelen. Voorts heeft zij overwogen dat uit het betoog van appellant geen nieuwe medische informatie valt op te maken. Voor zover het verzoek van appellant moet worden gezien als verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 25 juli 2006, was het Uwv derhalve, wegens het ontbreken van nieuwe feiten en/of omstandigheden, niet gehouden om het besluit van

25 juli 2006 te herzien.

2. Appellant heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald: hij heeft aangevoerd dat hij het Uwv in de periode na 25 juli 2006 en voor 2 april 2007 wel degelijk op de hoogte heeft gesteld van zijn klachten in verband met de open wond op zijn buik. Hij erkent dat hij dit niet met bewijsstukken kan aantonen. Appellant was helemaal niet in staat om per 6 september 2006 te gaan werken, hetgeen later is bevestigd door de spoedoperatie. Voorts heeft hij erop gewezen dat aangezien de (bezwaar)verzekeringsarts bij het medische onderzoek in 2006 wist dat de littekenbreuk verergerde en verder open ging, het Uwv uit eigen beweging appellant had moeten herkeuren. Tot slot heeft appellant gesteld dat, nu de situatie ten aanzien van de buikwond verergerd is, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een spoedopname in het ziekenhuis op 2 april 2007, er wel degelijk sprake is van een nieuw medisch feit, hetgeen voor het Uwv reden had moeten zijn om tot herziening van het eerdere besluit van 25 juli 2006 over te gaan.

3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts ten aanzien van de eerste ziektedag. De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat het Uwv de eerste ziektedag op een eerdere datum dan 2 april 2007 had moeten stellen. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe informatie heeft ingediend of andere punten heeft aangevoerd dan in eerste aanleg, volstaat de Raad met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank.

3.2. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

3.3. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

JL