Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
09-92 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Met betrekking tot hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld over het onderzoek door Beekema overweegt de Raad dat Beekema op het moment van het onderzoek op 8 augustus 2007 - zoals door appellante in hoger beroep niet wordt betwist - zijn opleiding tot verzekeringsarts had voltooid. De kwaliteit van het onderzoek door de verzekeringsarts was om deze reden naar het oordeel van de Raad voldoende gewaarborgd. Het feit dat Beekema op dat moment nog niet als verzekeringsarts geregistreerd stond maakt dit niet anders, omdat de registratie een formele bevestiging is van de voltooiing van de opleiding. De Raad is voorts, evenals de rechtbank, niet gebleken dat het Uwv de belastbaarheid van appellante niet juist heeft vastgesteld. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat zij ten tijde in geding anders, dan wel meer, beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv. De aan schatting ten grondslag gelegde functies zijn voor appellante in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/92 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 november 2008, 08/2267 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H. Visser, advocaat te Wormerveer, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2009. Voor appellante is verschenen mr. Visser, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 14 september 2004 ten gevolge van nek- en rugklachten na een auto-ongeval uitgevallen voor haar werkzaamheden als administratief medewerkster.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 10 september 2007 vastgesteld dat er voor appellante ingaande 11 september 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante ten gevolge van lichamelijke en psychische beperkingen in haar belastbaarheid beperkt is en ongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie. Wel kan appellante een vijftal voor haar geschikt geachte functies verrichten. De arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 28,24%.

1.3. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 10 september 2007 gemaakte bezwaar na advisering door een bezwaarverzekeringsarts ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 10 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit).

2.1. Naar aanleiding van het beroepschrift van appellante heeft de bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters nader arbeidskundig onderzoek verricht en gerapporteerd op 16 juni 2008. Zij heeft twee van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet langer geschikt geacht voor appellante. Wouters concludeerde dat er voldoende arbeidsmogelijkheden resteerden om de schatting te handhaven. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vervolgens ook door haar vastgesteld op minder dan 35%.

2.2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Daartoe is overwogen dat het feit dat het primair medisch onderzoek is uitgevoerd door een verzekeringsarts in opleiding niet meebrengt dat het bestreden besluit in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid omdat in de bezwaarfase - naar niet wordt betwist – het onderzoek door een wel geregistreerde bezwaarverzekeringsarts is verricht. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv over de belastbaarheid voor appellante.

2.2.2. De rechtbank heeft in het feit dat de nadere arbeidskundige onderbouwing eerst in beroep is gegeven reden gezien het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en dat besluit te vernietigen. De bezwaararbeidsdeskundige Wouters heeft naar het oordeel van de rechtbank in beroep genoegzaam toegelicht dat de resterende functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

3.1. In hoger beroep bestrijdt appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft zij gesteld dat het Uwv haar in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Gelet op haar psychisch toestandsbeeld, waardoor zij het belang van horen niet heeft onderkend, en het feit dat zij niet werd bijgestaan door een rechtshulpverlener, had het Uwv hiervan niet mogen afzien. Verder heeft appellante gesteld dat het bestreden besluit een zorgvuldige medische grondslag ontbeert. Naar de mening van appellante zijn de gebreken die aan het primair medisch onderzoek kleven niet hersteld door het in bezwaar verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsarts in opleiding D. Beekema was naar de mening van appellante niet bevoegd het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te verrichten nu hij op de datum van het onderzoek nog niet stond geregistreerd als verzekeringsarts. Dit gebrek is, aldus appellante, niet hersteld in bezwaar omdat de bezwaarverzekeringsarts slechts dossieronderzoek heeft verricht en heeft nagelaten actuele medische informatie in te winnen bij de behandelend artsen van appellante. Appellante heeft verder gesteld dat het Uwv haar zes maanden na de datum in geding volledig arbeidsongeschikt heeft bevonden in het kader van de Ziektewet. Appellante heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor haar. Ten aanzien van de functie administratie medewerker heeft appellante gesteld dat deze functie inhoudelijk overeenkomt met de functie waaruit zij is uitgevallen (de maatmanfunctie) en die door het Uwv voor haar ongeschikt is bevonden.

3.2. Het Uwv heeft in verweer gesteld dat Beekema per 1 juli 2007 zijn opleiding tot verzekeringsarts heeft voltooid en daarna het administratieve traject heeft moeten doorlopen voor registratie. De registratie is per november 2007 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2007 gerealiseerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziene recht van een belanghebbende om te worden gehoord alvorens een bestuursorgaan op het bezwaar beslist is, naar ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling blijkt, een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. In artikel 7:3 van de Awb zijn de voorwaarden opgenomen waaronder, in afwijking van de in artikel 7:2 neergelegde hoofdregel, van het horen kan worden afgezien. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen in bezwaar worden afgezien, indien belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Bij antwoordformulier van 28 september 2007 heeft appellante te kennen gegeven niet te willen worden gehoord. De Raad is niet gebleken dat appellante haar belangen niet kon waarnemen of dat haar verklaring niet in overeenstemming was met haar wil. Appellantes klacht dienaangaand treft dus geen doel.

4.2. De Raad is evenals de rechtbank en op grond van de door haar in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Met betrekking tot hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld over het onderzoek door Beekema overweegt de Raad dat Beekema op het moment van het onderzoek op 8 augustus 2007 - zoals door appellante in hoger beroep niet wordt betwist - zijn opleiding tot verzekeringsarts had voltooid. De kwaliteit van het onderzoek door de verzekeringsarts was om deze reden naar het oordeel van de Raad voldoende gewaarborgd. Het feit dat Beekema op dat moment nog niet als verzekeringsarts geregistreerd stond maakt dit niet anders, omdat de registratie een formele bevestiging is van de voltooiing van de opleiding. De Raad volgt appellante voorts niet in haar stelling dat het feit dat Beekema niet als verzekeringsarts geregistreerd stond meebrengt dat hij onbevoegd was een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te verrichten. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld, de Raad verwijst naar zijn uitspraken van 18 juli 2007 (LJN BA9908) en van 18 juli 2007 (LJN BA9909), handelt een niet als verzekeringsarts geregistreerd arts niet in strijd met de Wet BIG door het doen van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De Raad acht het door Beekema verricht onderzoek zorgvuldig. Beekema heeft zijn oordeel gebaseerd op eigen onderzoek, dossieronderzoek en weging van medische informatie van de behandelaars van appellante. Het komt de Raad niet onzorgvuldig voor dat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek om de reden dat appellante in de bezwaarprocedure geen medisch inhoudelijke gegevens heeft aangevoerd en heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. De Raad is voorts, evenals de rechtbank, niet gebleken dat het Uwv de belastbaarheid van appellante niet juist heeft vastgesteld. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat zij ten tijde in geding anders, dan wel meer, beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv.

4.3. De Raad is, evenals de rechtbank en met overneming van de door haar in aangevallen uitspraak vermelde overwegingen, van oordeel dat de aan schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv, zoals neergelegd in verweerschrift in eerste aanleg, dat de voor appellante geduide functie beginnend administratie medewerkster inhoudelijk niet gelijk te stellen is met de - voor haar ongeschikt bevonden - maatmanfunctie administratief medewerker.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en R. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.E. van Rooij.

GdJ