Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
09-2597 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Bij beslissing van 14 januari 2008 is appellant hersteld verklaard voor zijn werk van conciërge en is hem met ingang van diezelfde datum geen ziekengeld meer toegekend. Echter een dergelijk rechtsgevolg is appellant reeds eerder bij besluit van 6 december 2007 meegedeeld. Mitsdien kan de beslissing van 14 januari 2008 niet geacht worden te zijn gericht op zelfstandig rechtsgevolg nu het hier een herhaling betreft van het besluit van 6 december 2007. Gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient uit het vorenstaande de conclusie te volgen dat de beslissing van 14 januari 2008 geen besluit is in de zin van voormeld artikel van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2597 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2009, 08/3712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Vreeswijk, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010. Voor appellant is verschenen, mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, kantoorgenoot van mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot 1 februari 2007 werkzaam geweest als conciërge bij het [school] te [vestigingsplaats]. Op 15 juli 2007 heeft hij een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij met ingang van 1 februari 2007 ontslag heeft genomen, omdat de werkdruk zeer hoog was en hij niet meer paste in het toekomstbeeld van de school. Hangende deze aanvraag heeft appellant zich op 6 september 2007 wegens klachten van nieren en blaas ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 9 november 2007 wordt appellant met ingang van 16 juli 2007 een werkloosheidsuitkering geweigerd, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant heeft tegen dat besluit op 21 november 2007 bezwaar gemaakt dat bij besluit van 28 januari 2008 ongegrond is verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 6 december 2007 is appellant meegedeeld dat hij niet voor een ziektewetuitkering in aanmerking komt, aangezien hem geen recht op een WW-uitkering is toegekend. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4. Nadat appellant enkele malen het spreekuur van de verzekeringsarts heeft bezocht, heeft deze arts hem bij het laatste bezoek op 14 januari 2008 per diezelfde datum hersteld verklaard voor zijn arbeid waardoor appellant geen recht (meer) heeft op een ziektewetuitkering. Naar aanleiding van dit medische onderzoek heeft de gemachtigde van appellant het Uwv bij brief van 8 juli 2008 laten weten dat appellant (nog) geen voor bezwaar vatbare beslissing heeft ontvangen. Tevens heeft de gemachtigde het Uwv verzocht om met onmiddellijke ingang tot uitbetaling van de uitkering over te gaan.

1.5. Op 14 juli 2008 is de beslissing van 14 januari 2008 alsnog aan appellant bekend gemaakt. Het door hem daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 september 2008 (hierna: bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de beslissing van 14 januari 2008 geen rechtsgevolgen in het leven roept aangezien appellant reeds eerder bij besluit van 6 december 2007 was meegedeeld dat hij per 6 september 2007 geen recht op ziekengeld heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de in de beslissing van 14 januari 2008 vervatte mededeling dat appellant hersteld wordt geacht voor zijn eigen werkzaamheden en mitsdien geen recht heeft op ziekengeld, geen (nieuwe) rechtsgevolgen in het leven kan roepen, aangezien appellant dat recht reeds bij besluit van 6 december 2007 was geweigerd. Voorts was de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht van zijn hoorplicht zoals bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft kunnen afzien nu het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn grieven tegen het bestreden besluit herhaald. De Raad overweegt als volgt.

3.1. In het onderhavige geding dient de Raad - evenals de rechtbank - uit te gaan van de juridisch relevante en rechtens vaststaande feiten. Deze feiten betreffen de in 1.2 respectievelijk 1.3 vermelde weigering van het Uwv om appellant met ingang van 16 juli 2007 het recht op een uitkering ingevolge de WW toe te kennen en de daaruit voortvloeiende weigering om appellant met ingang van 6 september 2007 een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen.

3.2. Bij beslissing van 14 januari 2008 is appellant hersteld verklaard voor zijn werk van conciërge en is hem met ingang van diezelfde datum geen ziekengeld meer toegekend. Echter een dergelijk rechtsgevolg is appellant reeds eerder bij besluit van 6 december 2007 meegedeeld. Mitsdien kan de beslissing van 14 januari 2008 niet geacht worden te zijn gericht op zelfstandig rechtsgevolg nu het hier een herhaling betreft van het besluit van 6 december 2007. Gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient uit het vorenstaande de conclusie te volgen dat de beslissing van 14 januari 2008 geen besluit is in de zin van voormeld artikel van de Awb.

3.3. De Raad is - met de rechtbank - van oordeel dat het Uwv terecht heeft kunnen oordelen dat het bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2008 kennelijk niet-ontvankelijk is en daardoor heeft kunnen afzien van het houden van een hoorzitting. Al hetgeen overigens door de gemachtigde van appellant bij wijze van hypothese naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM