Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
08/5436 WAO, 09/420 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen. Voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de (aanvankelijk) gestelde diagnose depressieve stoornis met psychotische kenmerken en de thans gestelde diagnose schizofrenie geen aanleiding geeft tot een ander oordeel met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op 4 juli 2007 en de hersteldverklaring per 19 mei 2008. De Raad merkt daarbij op dat voornoemde informatie niet ziet op de data in geding. Voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige, zoals namens appellant is verzocht, ziet de Raad dan ook geen aanleiding. De Raad is - met de rechtbank- van oordeel dat met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 25 juni 2008 voldoende is toegelicht dat appellant, met inachtneming van zijn medische beperkingen, op de data in geding, 4 juli 2007 en 19 mei 2008, in staat was de desbetreffende werkzaamheden van grafisch medewerker in WSW-dienstverband te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5436 WAO, 09/420 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 augustus 2008, 07/6685 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 15 december 2008, 08/5007 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in het gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C. de Jong, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. Tevens was M. Melehi als tolk aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in november 1999 wegens nierstenen en psychische klachten uitgevallen voor zijn in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) verrichte arbeid als grafisch medewerker. Met ingang van 15 september 2000 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is appellant op 27 februari 2007 onderzocht door de verzekeringsarts G. de Boer, die na lichamelijk en psychisch onderzoek heeft aangegeven dat appellant geschikt kan worden geacht voor gangbare arbeid. De daarbij in acht te nemen beperkingen heeft de verzekeringsarts weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 februari 2007. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige A. Schars vastgesteld dat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid van grafisch medewerker in WSW-dienstverband. De arbeidsdeskundige heeft tevens met behulp van het Claim Beoordeling- en Borggingssysteem (CBBS) functies geselecteerd en het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op minder dan 15%.

2. Bij besluit van 3 mei 2007 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 juli 2007 ingetrokken. Bij besluit van 27 juli 2007 (hierna bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 mei 2007, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer en de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde van respectievelijk 17 juli 2007 en 25 juli 2007, ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 1 ingesteld beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts onderschreven en heeft voorts geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde in zijn rapport van 21 mei 2008 afdoende heeft gemotiveerd dat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.

4. Appellant is aansluitend aan de intrekking van zijn WAO-uitkering in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en heeft zich vanuit die situatie op 28 november 2007 ziek gemeld wegens oogklachten, hoofdpijn, duizeligheid, nierstenen en darmklachten. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van de verzekeringsarts N. Overmars bezocht. De verzekeringsarts heeft vervolgens de informatie van de oogarts en de huisarts afgewacht. Tijdens het spreekuur van 9 mei 2008 is appellant per 19 mei 2008 hersteld verklaard.

5. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het Uwv per 19 mei 2008 (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit van 27 juni 2008 (hierna bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 mei 2008, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer van 25 juni 2008, ongegrond verklaard.

6. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 2 ingesteld beroep ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

7. In hoger beroep handhaaft appellant in beide zaken - kort samengevat - zijn standpunt dat de medische rapportages uit 2007 en 2008 in tegenspraak zijn met de eerdere verzekeringsgeneeskundige rapportages uit 2000 en 2005, en dat zijn lichamelijke en psychische conditie de laatste jaren verslechterd is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant medische informatie ingebracht.

8. De Raad overweegt als volgt.

8.1. De Raad kan de conclusies van de rechtbank in beide aangevallen uitspraken volledig onderschrijven en maakt deze conclusies en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Hetgeen namens appellant in hoger beroep en ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van psycholoog C. Westveld van 3 november 2008 en psychiater A. Akdeniz van 8 april 2009 geeft de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad onderschrijft in dit verband het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer, zoals vermeld in diens rapportages van 13 november 2008, 18 december 2008 en 12 mei 2009. In zijn rapportages heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de (aanvankelijk) gestelde diagnose depressieve stoornis met psychotische kenmerken en de thans gestelde diagnose schizofrenie geen aanleiding geeft tot een ander oordeel met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op 4 juli 2007 en de hersteldverklaring per 19 mei 2008. De Raad merkt daarbij op dat voornoemde informatie niet ziet op de data in geding. Voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige, zoals namens appellant is verzocht, ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

8.2. In aansluiting op hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraken heeft overwogen merkt de Raad nog op dat de bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde ten aanzien van de maatgevende arbeid nader onderzoek heeft gedaan. De bezwaararbeidsdeskundige heeft contact gehad met de voormalige werkgever en hiervan in een rapport van 21 mei 2008 verslag gedaan. De Raad ziet geen grond deze rapportage voor onjuist te houden. De Raad is - met de rechtbank- van oordeel dat met voornoemde rapportage en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 25 juni 2008 voldoende is toegelicht dat appellant, met inachtneming van zijn medische beperkingen, op de data in geding,

4 juli 2007 en 19 mei 2008, in staat was de desbetreffende werkzaamheden van grafisch medewerker in WSW-dienstverband te verrichten.

9. De aangevallen uitspraken komen derhalve voor bevestiging in aanmerking

10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR