Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
08-4816 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. In het kader van de beoordeling van de aanspraak op een ZW-uitkering is de medische toestand van appellante vergeleken met haar belastbaarheid, zoals omschreven in de FML. De behandelend specialisten hebben op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante geschikt is voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4816 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2008, 07/2314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Vreeswijk, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk voornoemd.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, aan wie per 25 december 2006 in aansluiting op de wettelijke wachttijd geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend, heeft zich op 19 februari 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld.

2. Bij besluit van 11 april 2007 is aan appelante meegedeeld dat zij met ingang van 19 februari 2007 geen recht had op ziekengeld.

3. Bij besluit van 6 augustus 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2007 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank gaven de rapportages van de behandelend artsen geen aanknopingspunt om de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

5. De Raad heeft het volgende overwogen.

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW heeft de verzekerde – voor zover hier van belang – bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA. Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 19 februari 2007 als maatstaf dient te worden gehanteerd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante in het kader van de Wet WIA als geschikt zijn aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de Wet WIA betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

5.2. De Raad stelt voorop dat het in bezwaar gehandhaafde besluit tot weigering van de WIA-uitkering per 25 december 2006 in rechte vaststaat, zodat in dit geding van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals door de bezwaarverzekeringsarts omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 maart 2007, alsmede van de geschiktheid van appellante voor de in dat kader geduide functies, dient te worden uitgegaan.

5.3. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellante op een ZW-uitkering hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de medische toestand van appellante op 19 februari 2007 vergeleken met haar belastbaarheid, zoals omschreven in de FML. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze artsen op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellante geschikt is voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

5.4. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 31 juli 2007 uitvoerig aandacht heeft besteed aan de informatie die door de behandelend specialisten, onder wie de internist M.E.M. Rentinck, is verstrekt. Uit voormeld rapport blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts daarbij expliciet rekening heeft gehouden met de door deze specialist aan de orde gestelde osteoporose, die volgens de bezwaarverzekeringsarts echter niet tot specifieke beperkingen leidt.

De bezwaarverzekeringsarts heeft bij haar onderzoek ook aandacht besteed aan de duizeligheidsklachten van appellante en geconcludeerd dat hieruit geen functiestoornissen voortkomen. Hetgeen appellante, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd vormt geen reden om die conclusie niet te onderschrijven.

5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR