Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
08-2478 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Is het Uwv terecht uitgegaan van de maatman als gezinsvoogd, de functie die appellant bekleedde ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2478 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 maart 2008, 07/2622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Blekman, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.B. Froentjes.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 februari 2007 is de aan appellant toegekende WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, per 1 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 2 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.

Als hoofdregel geldt dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Dit kan anders zijn als sprake is van nieuwe bekwaamheden die de verzekerde heeft verkregen na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Nu appellant zijn universitaire studie Nederlands recht heeft afgerond voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid is er geen sprake van nieuwe bekwaamheden in de zin van artikel 21, derde lid, van de WAO. Een verdere uitzondering op de hoofdregel wordt in het geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid gevormd door de omstandigheid dat de nog verrichte werkzaamheden en het daarmee verdiende inkomen een zodanige ontwikkeling doormaken dat de per dag ontvangen beloning uitstijgt boven het loon dat verdiend werd voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In zo’n geval dienen de hogere verdiensten als maatstaf voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid te worden gehanteerd. Er moet dan wel sprake zijn van het in kwalitatief opzicht uitbreiden van de van begin af aan beklede eigen functie. Deze uitzondering geldt niet voor een reguliere promotie. In het geval van appellant – die van gezinsvoogd is overgegaan naar de functie van jurist – is wel sprake van een reguliere promotie. Het Uwv heeft daarom terecht als maatman aangemerkt de gezinsvoogd, de functie die appellant bekleedde ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid.

4. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat er een ontwikkeling van de maatman heeft plaatsgevonden en dat zijn hogere verdiensten als maatstaf dienen te worden genomen voor de berekening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid.

5. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Appellant heeft in hoger beroep in essentie niets anders en niets meer aangevoerd dan hij in beroep al heeft aangevoerd.

6.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de bij haar ingediende gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR