Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
09-3316 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de FML. Ook in de omstandigheid dat aan appellante enkele maanden later een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend, mede naar aanleiding van (pas toen) tot uiting komende maagdarmproblemen en gewrichtsklachten, ziet de Raad geen grond om te oordelen dat haar belastbaarheid ten tijde in geding onjuist is vastgesteld. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3316 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 mei 2009, 08/1174 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Boers, advocaat te 's-Gravenzande, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten en het procesverloop zoals deze in de aangevallen uitspraak zijn vermeld. Partijen hebben de juistheid daarvan niet bestreden en de Raad volstaat daarom met het volgende.

1.2. Bij besluit van 5 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 12 januari 2007 gehandhaafd, inhoudende de herziening van de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij dit besluit heeft het Uwv met ingang van 5 maart 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 15 tot 25%.

1.3. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een deskundigenonderzoek door zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman en een rapport van bezwaarverzekeringarts G.J. Dreijer ten grondslag gelegd. Laatstgenoemd rapport houdt in dat er, mede gelet op de uitkomst van het onderzoek door Kemperman, geen argumenten zijn om af te wijken van het medische oordeel zoals ten grondslag is gelegd aan het besluit van 12 januari 2007. In het bestreden besluit is voorts vermeld dat de eerdere heroverweging door bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts ongewijzigd in stand blijft. Deze houdt onder meer in dat de functies van (dieren)artsenbezoeker (Sbc-code 694020), schoolverpleegkundige (Sbc-code 692061) en portier/toezichthouder (Sbc-code 342021) binnen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid blijven.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Zij heeft daartegen aangevoerd dat de ernst en omvang van haar klachten, zoals deze op of rondom

5 maart 2007 aanwezig waren, zijn onderschat. Zij heeft erop gewezen dat deze klachten wel zijn erkend door de door haar als deskundigen geraadpleegde psychologen

M.H. Krijgsveld en W.D. van der Zwaag en de neuroloog J. de Graaf. In afwijking van genoemde deskundigen heeft Kemperman geconcludeerd dat haar klachten niet objectiveerbaar zijn. Overigens vindt appellante het onzorgvuldig dat het rapport van Kemperman hoofdzakelijk is gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door anderen dan hemzelf. Appellante meent verder dat zij de door het Uwv in aanmerking genomen functies niet kan uitoefenen. Zij zou hooguit op arbeidstherapeutische basis gedurende één à twee uur per dag met arbeid kunnen starten.

3.2. Het Uwv houdt staande dat het bestreden besluit op een deugdelijke grondslag rust. Daartoe heeft het Uwv aangevoerd dat het onderzoek van Kemperman zorgvuldig en consistent is en dat zijn rapport naar behoren is gemotiveerd. Het Uwv heeft erop gewezen dat Kemperman zich bij zijn onderzoek heeft laten assisteren door twee psychologen en dat hij alle medische gegevens, waaronder de onderzoeksresultaten van de door appellante ingeschakelde deskundigen, heeft betrokken bij zijn oordeelsvorming.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor twijfel aan de deugdelijkheid van de grondslag waarop het bestreden besluit rust. Met de rechtbank acht de Raad in het bijzonder het onderzoek door Kemperman voldoende zorgvuldig. Daartoe overweegt de Raad dat Kemperman weliswaar niet zelf alle onderdelen van het onderzoek heeft uitgevoerd, maar dat deze wel onder zijn verantwoordelijkheid zijn uitgevoerd en dat hij hierover uitvoerig en controleerbaar heeft gerapporteerd. Zo heeft hij een samenvatting gegeven van de inhoud van medische informatie die tot zijn beschikking stond, waaronder ook de resultaten van de eerder uitgevoerde onderzoeken door Krijgsman, Van der Zwaag en De Graaf. De bevindingen van Kemperman konden hierdoor naar het oordeel van de Raad mede de grondslag vormen voor de oordeelsvorming van het Uwv.

4.2. Volgens Kemperman kan ingestemd worden met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante voor arbeid met betrekking tot de datum van 5 maart 2007, óók als gekeken wordt naar de uitkomst van het neuropsychologisch onderzoek door Krijgsveld, Van der Zwaag en De Graaf. Bezwaarverzekeringsarts Dreijer heeft vervolgens een eigen verzekeringsgeneeskundige afweging gemaakt, waarbij tevens de medische voorgeschiedenis en het gesprek dat zij had met appellante op het verzekeringsgeneeskundige spreekuur van 21 april 2008 is betrokken.

4.3. Appellante heeft op 15 januari 2010 nadere stukken ingediend en deze stukken gecompleteerd op 22 januari 2010. De stukken bevatten, naast medische verklaringen uit 2008 en 2009, een rapport van psychiater J. de Jonge van 15 oktober 2009. Hierin geeft De Jonge op basis van dossieronderzoek onder meer commentaar op het neuropsychologisch onderzoek en het expertiserapport van Kemperman. Volgens De Jonge is het psychiatrisch onderzoek van Kemperman volledig en goed uitgevoerd en volgt hieruit dat er geen sprake is van enige psychiatrische problematiek. De Jonge stelt verder vast dat er op neurologisch terrein een geschilpunt is tussen De Graaf en Kemperman (wat betreft cognitieve beperkingen) dat is terug te voeren op het niet aanwezig zijn van objectiveerbare afwijkingen op neurologisch gebied. De Jonge zelf ontkent niet dat er geen objectiveerbare afwijkingen zijn en doet aan appellante de suggestie om nader onderzoek te laten verrichten om eventuele afwijkingen te kunnen uitsluiten of aantonen. Daarnaast meent hij dat Kemperman relatief weinig aandacht heeft besteed aan de appellantes (aangetaste) huid van de handen, de gewrichtsklachten en de maagdarmproblematiek.

4.4. Het Uwv heeft ter zitting meegedeeld dat er nog voldoende tijd is geweest voor bezwaarverzekeringsarts Dreijer om, ondanks dat de nadere stukken laat zijn ingediend, daarop te kunnen reageren. Haar verklaring is aan de pleitaantekeningen van het Uwv gehecht, waarin is gesteld uit deze stukken geen nieuwe medische gegevens naar voren komen die een ander beeld geven van de belastbaarheid van appellante op 5 maart 2007.

4.5. De Raad acht, gelet op het voorgaande, geen reden aanwezig om het onderzoek te heropenen, dan wel om de nadere stukken en de reactie van het Uwv buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde of overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn. In de nadere stukken ziet de Raad geen aanknopingspunten het aan het bestreden besluit voorafgaande verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig te achten. In die stukken komt naar voren dat appellante op 5 maart 2007 leed aan een pijnsyndroom en dat zij voorts een zeer droge huid van haar handen had. Hiertoe zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen aanvaard voor zwaar tillen, dragen, duwen en trekken, frequent reiken en buigen, lang in een gedwongen houding zitten of staan en het verrichten van nat werk met de handen.

4.5. De Raad heeft derhalve, net als de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de FML, destijds opgesteld door de verzekeringsartsen P.A.M. van Zelst en A. van de Weele, zoals deze aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Ook in de omstandigheid dat aan appellante enkele maanden na 5 maart 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend, mede naar aanleiding van (pas toen) tot uiting komende maagdarmproblemen en gewrichtsklachten, ziet de Raad geen grond om te oordelen dat haar belastbaarheid per 5 maart 2007 onjuist is vastgesteld.

4.6. Uitgaande van de belastbaarheid zoals vastgesteld door het Uwv, heeft bezwaararbeidsdeskundige Coerts in zijn rapport van 25 mei 2007 de geschiktheid van de onder 1.3 genoemde functies naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd.

4.7. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-De Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. Smit-De Moor.

IvR