Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
08-6667 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Er is slechts sprake van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.Geen reden om meer beperkingen aan te nemen voor appellant dan al in de FML zijn neergelegd. De verwijzing door appellant naar het verzekeringsgeneeskundig protocol Beroerte gaat niet op, reeds omdat van een beroerte bij appellant geen sprake is. Bovendien maakt de verzekeringsarts op grond van artikel 3, eerste lid, van de Regeling eerst met ingang van 1 januari 2008 van dit protocol gebruik. Geen twijfel dat appellant in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Geen maximering mediane loon aangezien van een dergelijke maximering, gelet op het derde lid van artikel 10, alleen sprake is als de betrokkene om medische redenen voor een geringer aantal uren belastbaar is, hetgeen niet het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6667 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 oktober 2008, 08/272 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft K. Abel, adviseur sociale zekerheid van de Juricon adviesgroep b.v., gevestigd te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 februari 2009 zijn de beroepsgronden aangevuld.

Desgevraagd heeft het Uwv daarop gereageerd, waarna namens appellant een reactie van 30 november 2009 is ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2010. Voor appellant is verschenen J.R. Beukema, kantoorgenoot van Abel, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden zoals deze door de rechtbank in de aangevallen uitspraak zijn weergegeven. Hier volstaat de Raad met de vermelding dat het Uwv bij op bezwaar genomen besluit van 13 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) zijn besluit van 16 oktober 2007 heeft gehandhaafd. Daarbij is de aan appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 9 december 2007 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25% bedroeg.

2.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, onder de overweging dat zij ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant niet juist zijn verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 september 2007.

2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank niet gebleken dat deze niet op goede gronden zou berusten.

3. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Tegen de aangevallen uitspraak zijn gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Appellant heeft zijn standpunt met diverse stukken gedocumenteerd. In bezwaar is een rapport van de klinisch psycholoog W.D. van der Zwaag van 23 december 2008 (lees: 2007) overgelegd en in beroep een rapport van de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen van 26 juni 2008.

4. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd, met verwijzing naar rapporten van de bezwaarverzekeringsarts.

5.1. De Raad stelt voorop dat in de arbeidsongeschiktheidswetgeving, waaronder artikel 2, eerste lid, van de WAZ, - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient ook dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

5.2. In dat licht bezien kan de Raad zich niet verenigen met de opvatting van appellant dat door het Uwv in strijd is gehandeld met de in de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit gecodificeerde richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC). In die richtlijn is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Raad inzake het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip. Voor zover appellant betoogt dat onder de werking van de richtlijn MAOC niet langer de eis geldt dat beperkingen, willen die tot uitkering leiden, aantoonbaar dienen te berusten op ziekte of gebrek, berust dat betoog op een onjuist uitgangspunt. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 3 oktober 2008 (LJN BF6777), 29 april 2009 (LJN BI3391) en van 26 augustus 2009 (LJN BJ6826).

5.3. De Raad is tot het oordeel gekomen dat in de rapporten van Van der Zwaag en Beijersbergen geen reden is gelegen om meer beperkingen aan te nemen voor appellant dan al in de FML zijn neergelegd.

5.3.1. Uit de rechtspraak van de Raad volgt dat de bevindingen van een neuropsycholoog en bij neuropsychologisch onderzoek vastgestelde cognitieve tekorten op zichzelf betekenis kunnen hebben voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Daarvoor is echter wel vereist dat die bevindingen en cognitieve tekorten op grond van een medisch-specialistisch rapport kunnen worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. De bevindingen en cognitieve tekorten moeten een logisch en consistent verband houden met beperkingen voortvloeiend uit eigenschappen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek op neurologisch of psychiatrisch gebied. Daarbij geldt ook dat van een neuroloog kan worden gevergd dat hij de zijns inziens voor betrokkene geldende beperkingen nauwkeurig omschrijft en enige onderbouwing van en inzicht in de door hem vastgestelde stoornissen geeft.

5.3.2. De Raad is van oordeel dat de rapporten van Van der Zwaag en Beijersbergen geen onderbouwing geven als bedoeld onder 5.3.1. Volgens het neuropsychologisch rapport van Van der Zwaag heeft appellant “lichamelijke en cognitieve klachten die tot op heden persisteren in weliswaar afgezwakte vorm”, waarbij de pijnklachten behandelresistent bleken en het beeld domineerden. Volgens het rapport konden de cognitieve tekorten, zoals deze vrij kort na het ongeval door neuropsychologisch onderzoek werden geobjectiveerd, ook nu nog worden geobjectiveerd, met name op het gebied van het geheugen en (gerichte) aandacht. Volgens neuroloog Beijersbergen objectiveert het neuropsychologisch onderzoek van Van der Zwaag de cognitieve tekorten, is de belastbaarheid van appellant op de FML te beperkt weergegeven en dient een urenbeperking te worden aangenomen.

Nu het rapport van Beijersbergen voor een onderbouwing van de vastgestelde stoornissen naar het neuropsychologisch onderzoek verwijst, biedt dat rapport onvoldoende onderbouwing van en onvoldoende inzicht in de medisch vastgestelde stoornissen en de daaruit voortvloeiende (psychische en fysieke) beperkingen voor appellant. De Raad kan zich dan ook vinden in de commentaren van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 11 februari 2008, 30 juli 2008 en 12 november 2009.

5.4. De verwijzing door appellant naar het verzekeringsgeneeskundig protocol Beroerte gaat niet op, reeds omdat van een beroerte bij appellant geen sprake is. Bovendien maakt de verzekeringsarts op grond van artikel 3, eerste lid, van de Regeling eerst met ingang van 1 januari 2008 van dit protocol gebruik. Het protocol was op de datum hier in geding - 9 december 2007 - dus nog niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II, dat op 1 april 2009 in werking is getreden.

5.5. De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn stelling dat de verzekeringsartsen van het Uwv in strijd met de Standaard verminderde arbeidsduur geen urenbeperking hebben aangenomen. Naar het oordeel van de Raad is in het rapport van 30 juli 2008 door de bezwaarverzekeringsarts Visser voldoende gemotiveerd waarom voor een urenbeperking geen plaats is. Weliswaar geeft de neuroloog Beijersbergen een beperking aan tot gemiddeld ongeveer 6 uur per dag en 20 uur per week vanwege de door hem aangenomen cognitieve en fysieke beperkingen, maar nu diens rapport onvoldoende onderbouwd is –zoals onder 5.3.2 is weergegeven –kan het standpunt van de neuroloog over de urenbeperking niet worden gevolgd.

5.6. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad, uitgaande van de juistheid van de FML, geen reden tot twijfel aan het oordeel van de rechtbank dat appellant per 9 december 2007 in staat was te achten de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te vervullen.

5.7. Ter zitting is namens appellant betoogd dat, uitgaande van een maatmanomvang van 60 uur per week en bij appellant bestaande arbeidsmogelijkheden tot 38 uur dan wel 20 uur per week, op grond van artikel 10, tweede lid, van het toepasselijke - tot 1 oktober 2004 geldende - Schattingsbesluit de mate van arbeidsongeschiktheid op 36 dan wel 66% dient te worden gesteld. Naar het oordeel van de Raad vindt dit standpunt van appellant geen steun in de WAZ en het Schattingsbesluit. Immers, het verlies aan verdiencapaciteit wordt in een geval als hier bepaald door vergelijking van het inkomen per uur dat de zelfstandige nog zou kunnen verdienen als hij niet door ziekte of gebrek zou zijn getroffen (het maatmaninkomen) met het uurloon dat met algemeen geaccepteerde arbeid kan worden verdiend. Voor zover appellant met zijn verwijzing naar artikel 10, tweede lid, van het Schattingsbesluit heeft bedoeld te betogen dat het Uwv heeft verzuimd het mediane loon te maximeren, merkt de Raad op dat van een dergelijke maximering, gelet op het derde lid van artikel 10, alleen sprake is als de betrokkene om medische redenen voor een geringer aantal uren belastbaar is, hetgeen niet het geval is.

5.8. Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.7 leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

CVG