Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
08-6955 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO. Het Uwv heeft op goede gronden zich op het standpunt gesteld dat vanaf vier weken na 10 mei 2007 geen sprake was van een toename van appellants beperkingen. Ook de Raad heeft geen redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medische onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Carere. Gelet op de omstandigheid dat van de zijde van appellant noch in beroep noch in hoger beroep enig medisch stuk is overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat er vanaf 10 mei 2007 sprake is van een toename van zijn beperkingen, ziet de Raad met de rechtbank geen aanleiding de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6955 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 november 2008, 08/1209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft aan appellant in verband met psychische klachten in 1992 een uitkering in gevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 11 maart 2005 is deze uitkering met ingang van 11 mei 2005 ingetrokken, omdat appellant in de zin van de WAO voor minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden geacht.

1.2. Appellant heeft zich vervolgens met ingang van 10 mei 2007 ziek gemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft hij het spreekuur van 16 mei 2007 bezocht van de verzekeringsarts W.T.M. Swartjes. Deze arts heeft appellant met ingang van 21 mei 2007 hersteld verklaard, waarna het Uwv bij besluit van 16 mei 2007 aan appellant heeft meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 21 mei 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Bij brief van 30 augustus 2007 heeft appellant, in het licht van zijn ziekmelding per 10 mei 2007, bij het Uwv een aanvraag gedaan om in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering op grond van de artikelen 39a/43a van de WAO.

1.4. Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het Uwv geweigerd om toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 10 mei 2007 geen vier weken heeft geduurd.

1.5. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellant, waarbij onder verwijzing naar de informatie van de psychiater dr. M. Ritzen is gesteld dat vanaf 10 mei 2007 sprake is van een toename van de psychische klachten, heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van 12 februari 2008 van de bezwaarverzekeringsarts M. Carere.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts alsmede uit de informatie van de psychiater Ritzen van 14 juni 2007 en 23 januari 2008 is de rechtbank niet gebleken dat bij appellant sprake is van een toename van beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals deze zijn weergegeven bij de eerdere beoordelingen. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts Carere ten aanzien van de informatie van de psychiater Ritzen uitgebreid heeft gemotiveerd dat deze geen nieuw beeld laten zien vergeleken met de rapporten die in het verleden over appellant zijn opgesteld. De klachten van appellant zijn hetzelfde gebleven, waarbij tevens is vermeld dat ook in het verleden meerdere pogingen tot behandeling zijn geweest. Er is geen aanleiding deze motivering van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep, aangevoerd dat met de overgelegde rapportages van de psychiater Ritzen voldoende is aangetoond dat hij meer beperkingen ondervindt dan de verzekeringsarts heeft vastgesteld. Het onderzoek naar de vraag of vanaf 10 mei 2007 sprake is van een toename van de mate van arbeidsongeschiktheid is volgens appellant om die reden onzorgvuldig geweest.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad heeft geen redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medische onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Carere. Daarbij tekent de Raad aan dat de bezwaarverzekeringsarts, zoals blijkt uit de rapportage van 12 februari 2008, appellant op het spreekuur van 6 februari 2008 zowel lichamelijk – waarbij sprake is van een ongestoorde nekfunctie zonder neurologische bijzonderheden – als psychisch heeft onderzocht. Hierbij heeft Carere naast de informatie van psychiater Ritzen ook de overige over appellant voorhanden medische informatie van de behandelend sector meegewogen. Blijkens de informatie van de psychiater Ritzen is appellant in maart 2007 bij hem onder behandeling gekomen. Dat appellant hierbij medicatie kreeg voorgeschreven levert volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuw gegeven op, nu zulks al heeft plaatsgevonden bij eerdere behandelingen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat de verzekeringsarts Swartjes bij het onderzoek rond de datum in geding ten aanzien van de psyche van appellant goede cognitieve functies en geen kenmerken van een relevante stemmingstoornis heeft gevonden. Nu de psychiater Ritzen in de brief van 23 januari 2008 heeft aangegeven dat de psychische situatie van appellant vanaf mei 2007 niet is veranderd en er overeenkomstig deze informatie op het spreekuur van 6 februari 2008 geen aanwijzingen zijn gevonden voor een floride depressie, is er geen aanleiding te concluderen dat sprake zou zijn van een acute, langer durende wijziging in het psychische toestandbeeld van appellant, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Gelet op de omstandigheid dat van de zijde van appellant noch in beroep noch in hoger beroep enig medisch stuk is overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat er vanaf 10 mei 2007 sprake is van een toename van zijn beperkingen, ziet de Raad met de rechtbank geen aanleiding de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

4.3. Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden zich op het standpunt heeft gesteld dat vanaf vier weken na 10 mei 2007 geen sprake was van een toename van appellants beperkingen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht betreffende de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

RK