Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
07-445 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig. Er zijn dan ook onvoldoende redenen om de conclusie van Geerlings dat de belastbaarheid van appellante door het Uwv niet juist is vastgesteld niet te volgen. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/197 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/445 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2006, 05/1756 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft neuroloog A.H.C. Geerlings verzocht appellante te onderzoeken en verslag te doen van zijn bevindingen. Deze deskundige heeft op 28 april 2009 gerapporteerd.

Partijen hebben op dit rapport gereageerd.

Vervolgens heeft de deskundige aangegeven zijn conclusies te handhaven.

Nadien hebben partijen over en weer gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2010. Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door Beukema. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het Uwv deze uitkering per 21 december 2004 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 24 maart 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige, neuroloog H.J. van den Brand, en neemt deze over. De rechtbank volgt niet de stelling van appellante dat het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat de door de deskundige geconstateerde concentratiestoornissen niet in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn opgenomen. De deskundige heeft immers eveneens geconstateerd dat appellante de geduide functies kan verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de bezwaarverzekeringsarts als de deskundige gemotiveerd aangegeven waarom de conclusies van het door appellante geëntameerde neuropsychologische onderzoek niet gevolgd dienen te worden.

3. In hoger beroep heeft appellante hiertegen aangevoerd het eens te zijn met de door de deskundige geconstateerde beperkingen maar niet met zijn conclusie dat appellante de geduide functies kan verrichten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van registerarbeidsdeskundige H.R. Betten van 23 februari 2007 en een rapport van neuroloog J. de Graaf van 30 augustus 2007 overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig. Hij heeft kennis genomen van en rekening gehouden met de informatie van de (bezwaar)verzekeringsartsen, de appellante behandelend artsen en de ingeschakelde neurologen en neuropsycholoog. Voorts heeft hij zijn oordeel serieus heroverwogen naar aanleiding van de reacties van partijen. Zijn bevindingen liggen in lijn met de bevindingen van de neurologen De Graaf en Van den Brand. Ook de laatste constateert dat appellante meer beperkt is dan in de FML is aangegeven, nu hij stelt dat sprake is van concentratiestoornissen. Er zijn dan ook onvoldoende redenen om de conclusie van Geerlings dat de belastbaarheid van appellante door het Uwv niet juist is vastgesteld niet te volgen.

4.3. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.

4.4. Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen aanwezig zijn om renteschade te vergoeden.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 966,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Met betrekking tot de vergoeding van de kosten van de uitgebrachte rapporten overweegt de Raad dat hiervoor een forfaitaire vergoeding wordt vastgesteld op basis van het aantal gewerkte uren en het in het Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief. Dit betekent dat de kosten van de neuropsycholoog (WIN) worden vergoed tot een bedrag van € 370,26 (6 uur á € 61,71), van de klinisch psycholoog (NEBC) tot een bedrag van € 123,42, van de arbeidsdeskundige tot een bedrag van € 324,92 (4 uur á € 81,23) en van neuroloog De Graaf tot een bedrag van € 974,76

(12 uur voor een monorapportage á € 81,23). De totale proceskostenvergoeding bedraagt derhalve € 3.403,36.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 3.403,36;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 142,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

IvR