Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
08-3720 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Onvoldoende grond voor het aannemen van een urenbeperking. Nu eerst in hoger beroep een in alle opzichten inzichtelijke en verifieerbare arbeidskundige toelichting is verkregen, moet het beroep gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het beroep ongegrond is verklaard, komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet echter in het voren overwogene voldoende aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3720 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 mei 2008, 07/3342 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Herder, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van S. Gommers, bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Aanwezig was appellant, bijgestaan door mr. M.C. Frissart, kantoorgenoot van bovengenoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. van de Berkt.

De Raad heeft vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft het onderzoek heropend.

Op 30 september 2009 heeft de Raad vragen aan het Uwv gesteld, welke het Uwv heeft beantwoord bij brief van 6 november 2009, vergezeld van een rapport van dezelfde datum van H.A.M. Eekhoudt, bezwaararbeidsdeskundige met bijlagen.

De gemachtigde van appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 17 november 2009.

De zaak is nadien door de enkelvoudige kamer van de Raad verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010.

Appellant en zijn gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Namens het Uwv is J. de Graaf verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als metselaar, heeft zich, tijdens het ontvangen van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, per 18 februari 2005 ziek gemeld met onder andere rugklachten. Naar aanleiding van zijn aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), heeft onderzoek door een arts van het Uwv plaatsgevonden die de voor appellant geldende beperkingen bij het verrichten van arbeid heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden lijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een aantal functies die geschikt zijn te achten voor appellant geselecteerd en op een bijlage bij diens rapport een aantal signaleringen bij deze functies toegelicht. Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het Uwv appellant bericht dat hij per 16 februari 2007 geen WIA- uitkering kan ontvangen, omdat voor hem per die datum geen recht op deze uitkering is ontstaan nu zijn mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% moet worden gesteld. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen laatstgenoemd besluit. In het kader daarvan is appellant onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers, die het primaire oordeel heeft bevestigd en heeft vastgesteld dat, hoewel er geen duidelijke afwijkingen in verband met de door appellant genoemde hand- en polsklachten werden gevonden, er toch aanleiding is om, met name met betrekking tot de belasting van de linkerhand, aanvullende beperkingen in de FML van 23 maart 2007 op te nemen. De bezwaararbeidsdeskundige R.J.M. Kools heeft blijkens zijn rapport van 23 maart 2007 de geduide functies opnieuw bezien, enkele daarvan laten vervallen in verband met een te zware belasting van de linkerhand en de resterende functies van een nadere toelichting voorzien. Tevens heeft hij geconstateerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid nog steeds minder bedraagt dan 35%.

1.2. Bij besluit van 29 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit waarbij is vastgesteld dat ten aanzien van appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, gehandhaafd.

2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij zijn een aantal grieven van medische en arbeidskundige aard naar voren gebracht.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat er geen reden is om de bevindingen van de (bezwaar) verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Voor het aannemen van een urenbeperking als door appellant bepleit bestaat onvoldoende grond. Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens in het geding gebracht die (voldoende) twijfel wekken aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook de arbeidskundige grieven heeft de rechtbank verworpen, waarbij met name is geoordeeld dat de stelling, dat enkele functies een te zware hand- en armbelasting opleveren in het arbeidskundig rapport van 23 maart 2007 is weerlegd.

4. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat en heeft arbeidskundige bezwaren aangevoerd tegen de geduide functies, onder andere in verband met overschrijding van de belasting op de items koude, torderen en boven schouderhoogte actief zijn.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan de rechtbank volgen in het oordeel dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. Er zijn geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat hij meer of anders beperkt moet worden geacht dan door het Uwv, blijkens de FML van 23 maart 2007, is aangenomen. Terzake zijn ook van de zijde van appellant geen, althans onvoldoende, medische gegevens verstrekt die twijfel wekken aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

Dit geldt met name ook voor de stelling van appellant dat hij op het punt van de arm- en handbelasting meer beperkt moet worden geacht. De medische grondslag van het bestreden besluit is derhalve voldoende deugdelijk te achten.

5.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grieven van appellant merkt de Raad allereerst op, dat diens oorspronkelijk in hoger beroep geuite bezwaren door de bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 10 september 2008 voldoende zijn weerlegd, met name heeft hij er met recht op gewezen dat appellant op de items koude, torderen en boven schouderhoogte actief zijn niet beperkt is geacht. Ter zitting van de Raad op 12 augustus 2009 heeft appellant tevens naar voren gebracht, dat het onbegrijpelijk is dat de bezwaararbeidsdeskundige enkele functies heeft laten vervallen in verband met de eraan verbonden te grote arm- en handbelasting, terwijl ook in de (wel) aan de schatting ten grondslag gelegde functies een (te grote) belasting voor onder andere de handen voorkomt. De Raad acht de in het arbeidskundig rapport van 6 november 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt gegeven toelichting, alsmede die van de gemachtigde van het Uwv ter zitting op dit punt voldoende adequaat: in de verworpen functies was sprake van belasting van de beide handen (dus ook van de linkerhand), terwijl in de geschikt geachte functies geen sprake is van snel repeterende hand/armbewegingen of (zware) krachtsinspanning bij handgebruik. Uit de resultaat functiebeoordeling blijkt overigens dat ten aanzien van de meeste functies bij de verschillende handgrepen naar keuze met rechts of links kan worden gewerkt. Appellant is overigens blijkens de FML van 23 maart 2007 niet beperkt op de items tastzin en hand- en vingergebruik (dat het arbeidskundig rapport van 17 maart 2007 dit wel suggereert berust kennelijk op een misverstand). Ook op het arbeidskundig aspect kan het bestreden besluit derhalve de rechterlijke toetsing doorstaan.

5.4. Nu eerst in hoger beroep een in alle opzichten inzichtelijke en verifieerbare arbeidskundige toelichting is verkregen, moet het beroep gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het beroep ongegrond is verklaard, komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet echter in het voren overwogene voldoende aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

6. De Raad ziet met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, ten bedrage van € 644,- in beroep en € 966,- in hoger beroep. Tevens dient het Uwv het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep, ten bedrage van € 39,- in beroep en € 107,- in hoger beroep, te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, ten bedrage van € 644,- in beroep en € 966,- in hoger beroep, in totaal € 1610,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het in beide instanties betaalde griffierecht aan appellant vergoedt, ten bedrage van € 39,- in beroep en € 107,- in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C. P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

JL