Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
08-3728 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Voldoende inzichtelijk en verifieerbaar heeft aangetoond dat de geselecteerde functies geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3728 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 mei 2008, 07/1115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Desgevraagd heeft de voormalige werkgever van appellant meegedeeld niet als partij aan het geding te zullen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Namens appellant is mr. Van den Heuvel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker interne dienst bij een vleesverwerkingsbedrijf voor 36 uur per week, is op 18 augustus 2004 uitgevallen in verband met knie- en rugklachten.

1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 1 juni 2006 onderzocht door de verzekeringsarts I. Daoud-Oskamp, die heeft geconstateerd dat appellant beperkt is ten aanzien van onder andere langdurig lopen en staan, klimmen, traplopen, hurken/knielen, frequent buigen en zwaar tillen. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juni 2006. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige M. Mesdag met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem drie functies en een reservefuncties geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2006 aan appellant meegedeeld dat met ingang van 16 augustus 2006 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan.

1.3. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en verkregen informatie van de huisarts van appellant reden gezien om aanvullende beperkingen op te nemen ten aanzien van het gebruik van de linkerhand. Deze zijn neergelegd in de aangepaste FML van 20 december 2006. In zijn rapportage van 22 december 2006 heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.H. Boel vermeld dat de eerder geselecteerde functies, rekening houdend met de aangepaste belastbaarheid, nog steeds voor appellant geschikt zijn te achten. Onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juli 2006 bij besluit van 2 januari 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en heeft zij evenmin aanknopingspunten gezien om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist te achten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant per 16 augustus 2006 in staat was te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten, zodat deze functies op goede gronden zijn gebruikt voor de schatting. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in het onderzoek van de verzekeringsartsen voorbij wordt gegaan aan zijn stelling dat hij feitelijk totaal versleten knieën heeft, waarvoor hij een operatie moest ondergaan. Voorts heeft appellant gesteld dat te gemakkelijk voorbij is gegaan aan de beperkingen van zijn linkerhand als gevolg van artrose. Door het onvoldoende laten meewegen van deze beperkingen is de FML volgens appellant niet juist.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen, op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de huisarts heeft op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Met betrekking tot de door appellant genoemde knieklachten heeft de verzekeringsarts reeds beperkingen in de FML opgenomen. Volgens de Raad kan uit de voorhanden medische gegevens niet worden afgeleid dat de hieruit voortvloeiende beperkingen op de datum in geding, 16 augustus 2006, zijn onderschat. In dat verband verwijst de Raad naar de overgelegde verklaring van de huisarts van 2 april 2008, waaruit blijkt dat de orthopaed Van den Oever op 15 september 2007 heeft vermeld dat met betrekking tot de knieklachten vooral rechts een achteruitgang wordt gesignaleerd in vergelijking met een jaar geleden. Wat betreft de knieklachten links heeft de orthopaed wel een indicatie voor een kniearthroplastiek gevonden. Uit deze verklaring blijkt dat in september 2007 weliswaar sprake is van een achteruitgang ten opzichte van 2006, maar niet dat de situatie op de datum in geding tot verdergaande beperkingen zou moeten leiden. Voorts is gebleken dat een operatie aan de linkerknie niet heeft plaatsgevonden, zodat ook hierin geen aanleiding wordt gezien om de reeds aanvaarde beperkingen onvoldoende te achten.

Met betrekking tot de handklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 20 december 2006 aanvullende beperkingen opgenomen. Ten aanzien van deze beperkingen is de Raad evenmin van oordeel dat deze zijn onderschat, temeer nu appellant in hoger beroep desgevraagd heeft meegedeeld dat hij de klachten aan zijn handen niet met objectieve medische gegevens kan onderbouwen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. Nu appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie per 16 augustus 2006, ziet de Raad dan ook geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 22 december 2006 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar heeft aangetoond dat de door hem geselecteerde functies sorteerder, controleur (sbc-code 111340), productiemedewerker (sbc-code 111180) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, – en ook voor wat betreft de beperkingen aan de linkerhand – geschikt zijn. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR