Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
08-1774 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO8485, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Erkenning van kinderen door betrokkene. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Gezamenlijke huishouding. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat bepalend is of appellante en betrokkene gedurende de periode van 22 maart 2005 tot en met 31 december 2006 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag. Ook de Raad hecht in het bijzonder betekenis aan de bevindingen van het huisbezoek en de door appellante tegenover de Afdeling Bijzonder Onderzoek afgelegde verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1774 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 februari 2008, 07/2806 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 2 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Salhi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sinds 2 november 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 12 november 2004 is de bijstandsuitkering van appellante gewijzigd in een uitkering naar de norm voor gehuwden in verband met samenwoning met haar ex-partner [G.].

1.2. Vanaf 22 maart 2005 is appellante weer een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend. Naar aanleiding van een melding heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In de periode van 3 oktober 2005 tot en met 13 december 2005 zijn waarnemingen gedaan bij de woning van appellante. Op 15 december 2005 is een huisbezoek afgelegd aan die woning, en op dezelfde dag is appellante op het kantoor van de Afdeling Bijzonder Onderzoek gehoord.

1.3. De bevindingen van het onderzoek, welke zijn neergelegd in rapporten van 13 en 15 december 2005, waren voor het College - onder meer - aanleiding om bij besluit van 12 december 2006 de aan appellante verleende bijstand over de periode van 22 maart 2005 tot en met 31 december 2005 in te trekken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 10.242,77 van haar terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog, voor zover hier van belang, dat [G.] de kinderen van appellante heeft erkend, zodat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Dit betekent dat voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding louter getoetst dient te worden of het College terecht heeft aangenomen dat appellante een gezamenlijk hoofdverblijf op haar adres had met [G.]. Gelet op het ingestelde onderzoek naar de woonsituatie van appellante is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat zij vanaf 22 maart 2005 samen met [G.] haar hoofdverblijf had op de [adres] te [plaatsnaam] en dat zij dus voor de toepassing van de WWB een gezamenlijke huishouding voerden. Voor dit oordeel heeft de rechtbank de bevindingen van de verrichte waarnemingen en van het afgelegde huisbezoek van belang geacht, evenals de door appellante ten overstaan van twee medewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek afgelegde en door haar ondertekende verklaring. De rechtbank heeft op de in de uitspraak uiteengezette gronden geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat van de juistheid van de aanvankelijk door appellante afgelegde verklaring mag worden uitgegaan.

3. Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en het verhandelde ter zitting is tussen partijen uitsluitend in geschil of appellante in de periode in geding met [G.] een gezamenlijke huishouding voerde. De Raad zal zich tot dat geschilpunt beperken.

3.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de onder 3 genoemde vraag bepalend is of appellante en [G.] gedurende de periode van 22 maart 2005 tot en met 31 december 2006 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. In het voetspoor van de rechtbank is de Raad tevens van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor een bevestigend antwoord op die vraag. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar. Ook de Raad hecht in het bijzonder betekenis aan de bevindingen van het huisbezoek en de door appellante op 15 december 2005 tegenover de Afdeling Bijzonder Onderzoek afgelegde verklaring. De rechtbank is afdoende ingegaan op de grief van appellante dat zij niet aan haar verklaring mag worden gehouden. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden en leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

3.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart februari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J.M. Tason Avila.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SG