Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
09-1146 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Verminderd intellectueel prestatieniveau, waarvoor beperkingen zijn gesteld ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Rugklachten niet geobjectiveerd. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1146 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2009, 08/3180 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 10 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Bij besluit van 3 april 2008 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, omdat zij niet arbeidsongeschikt was in de zin van deze wet. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 25 juli 2008, (hierna: het bestreden besluit,) ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is verricht. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv haar beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante diverse brieven van Instituut Psychosofia ingebracht alsmede een rapportage van GZ-psycholoog G.J. Postma van 31 augustus 2006.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellante is door de verzekeringsarts onderzocht, die op grond van zijn bevindingen heeft geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een lichte verstandelijke beperking. Er zijn bij appellante tekenen van verminderd intellectueel prestatieniveau en om die reden zijn er beperkingen te stellen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De rugklachten van appellante zijn niet geobjectiveerd, aldus de verzekeringsarts. De vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en de door appellante ingebrachte gegevens betrokken bij zijn onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. De Raad overweegt dat hij, met de rechtbank, geen aanknopingspunten heeft gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De Raad acht hierbij van belang dat de door appellante ingebrachte rapporten van Psychosofia commentaar bevatten op de medische stukken van het Uwv, waarop bij diverse rapporten van de bezwaarverzekeringsarts F. C. Swaen afdoende is gereageerd. Op meergenoemd rapport van GZ-psycholoog Postma heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad eveneens afdoende gereageerd, met de bevinding dat dit rapport inhoudelijk in overeenstemming is met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts.

5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad verder van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten als voor appellante in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt.

5.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

EF