Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
08-5061 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afschaffing functioneel leeftijdsontslag (FLO). Overgangsrecht. Afhankelijk van het feit of een ambtenaar al dan niet in een bezwarende functie werkzaam is, geldt voor hem een gunstig dan wel minder gunstig overgangsrecht ingevolge hoofdstuk 9b van de CAR/UWO. Ontheffing uit functie bij de brandweer. Appellant werd bovenformatief geplaatst met een nader te bepalen takenpakket tot het moment dat hij weer is hersteld. Bij bestreden besluit heeft het college appellant medegedeeld dat hij op de peildatum 31 december 2005 niet was geplaatst in een bezwarende functie. Wel kwam appellant, omdat hij meer dan 20 jaar in een bezwarende functie werkzaam was geweest, in aanmerking voor een levensloopbijdrage als bedoeld in het overgangsrecht. Appellant is volledig uit zijn bezwarende functie ontheven. Van appellant had verwacht mogen worden bezwaar te maken tegen het ontheffingsbesluit. Dat de re-integratie van appellant mede was gericht op eventuele terugkeer in een repressieve functie betekent niet dat appellant tot aan dat moment op zo’n functie geplaatst bleef. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5061 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 juli 2008, 08/81 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar (hierna: college)

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.F. Adolf, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1 juni 1990 werkzaam bij de brandweer van de gemeente Wassenaar, laatstelijk in de functie van [naam functie] van dienst. Voor deze functie bestond tot 1 januari 2006 uitzicht op functioneel leeftijdsontslag (hierna: FLO) bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd. Vanaf 10 oktober 2003 heeft appellant langdurig verzuimd wegens ziekte. Bij brief van 21 februari 2005 heeft het college appellant medegedeeld dat op 8 februari 2005 is besloten hem op zijn verzoek te ontheffen uit zijn functie van [naam functie] bij de brandweer van Wassenaar. Appellant werd bovenformatief geplaatst binnen het samenwerkingsverband met de brandweer Leidschendam-Voorburg met een nader te bepalen takenpakket tot het moment dat hij weer is hersteld.

1.2. In de gemeentelijke CAO 2005-2007 is besloten tot afschaffing van het FLO bij (onder meer) de brandweer per 1 januari 2006. Daarbij is voor personeel dat op het moment van het vervallen van het FLO werkzaam was in een zogeheten FLO-functie overgangsrecht afgesproken. De uitwerking hiervan is neergelegd in hoofdstuk 9b van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO). Afhankelijk van het feit of een ambtenaar al dan niet in een bezwarende functie werk-zaam is, geldt voor hem een gunstig dan wel minder gunstig overgangsrecht ingevolge hoofdstuk 9b van de CAR/UWO (hierna: overgangsrecht).

Vanwege de sterke verschillen in het takenpakket van de Regionaal Commandant van Dienst en de Regionaal Officier van Dienst per korps hebben de sociale partners bij de CAO-onderhandelingen ervoor gekozen om lokaal te laten vaststellen of er sprake is van een bezwarende functie. Omdat de officier van dienst structureel wordt ingezet als bevelvoerder heeft het college deze functie als bezwarend aangemerkt.

1.3. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college appellant medegedeeld dat hij op de peildatum 31 december 2005 niet was geplaatst in een bezwarende functie. Wel kwam appellant, omdat hij meer dan 20 jaar in een bezwarende functie werkzaam was geweest, in aanmerking voor een levensloopbijdrage als bedoeld in het overgangsrecht. Aan dit besluit lag ten grondslag dat appellant op 31 december 2005 was ontheven uit zijn functie en bovenformatief was geplaatst en om die reden niet de bezwarende functie van [naam functie] van dienst uitoefende. Dit besluit is bij het bestreden besluit van 27 november 2007, na door appellant gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

1.4. Appellant bestrijdt dat hij op 31 december 2005 niet in een bezwarende functie werkzaam was. Hij stelt dat hij op die datum slechts gedeeltelijk was ontheven uit zijn functie, namelijk voor zover het de functie van [naam functie] en preparatie betrof en niet die van officier van dienst. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat zijn functie bestond uit drie deeltaken en dat hij indertijd slechts ontheffing heeft gevraagd van deeltaak 1 en 2 (betreffende de preventieve en preparatieve aangelegenheden) en niet van deeltaak 3 (betreffende repressieve taken ten behoeve van een adequate incident- en rampbestrijding). Toen het college appellant berichtte dat hij was ontheven uit zijn functie van [naam functie] is appellant er dan ook logischerwijs van uitgegaan dat de ontheffing niet gold voor deeltaak 3. Appellant mocht ervan uitgaan dat conform zijn verzoek was besloten tot ontheffing van deeltaak 1 en 2, maar dat hij zijn repressieve taken had behouden. Appellant betwist dat er destijds is gesproken over ontheffing uit zijn repressieve taak. Er zou uitsluitend zijn gesproken over ontheffing uit de preventieve taak.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Uit het besluit van 8 februari 2005 tot ontheffing van appellant uit de functie van [naam functie] kan volgens de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat appellant slechts gedeel-telijk van zijn functie zou zijn ontheven. Daarvoor verwees de rechtbank naar de stukken, waaruit blijkt dat de functie die appellant vóór zijn ontheffing bekleedde niet consistent werd aangeduid met de volledige naam, maar dat veelal de verkorte aanduiding [naam functie] werd gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank zou, indien het een gedeeltelijke ontheffing betrof, dit duidelijk tot uitdrukking moeten zijn gebracht in het besluit van 8 februari 2005. De rechtbank achtte het, gezien de achtergrond van de ontheffing, ook niet aannemelijk dat door het college destijds is beoogd de ontheffing te beperken tot de niet repressieve taken. Dat appellant deze beperkte ontheffing wel zou hebben beoogd, is door appellant niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, aldus de rechtbank. Bovendien had het in dat geval op de weg van appellant gelegen om bezwaar te maken tegen het ontheffingsbesluit, voor zover daarin niet expliciet is vermeld dat appellant slechts gedeeltelijk uit zijn functie is ontheven.

2.2. In hoger beroep houdt appellant staande dat hij nimmer heeft beoogd te worden ontheven van de repressieve taken van zijn functie. Appellant betwist dat er destijds is gesproken over ontheffing uit zijn repressieve taak op grond van zijn ziekte. Er zou uitsluitend zijn gesproken over ontheffing uit de preventieve taak. Ook zou door de rechtbank onvoldoende zijn meegewogen dat hij als gevolg van de onvolledige vermelding van zijn functienaam in het ontheffingsbesluit door het college op het verkeerde been is gezet met betrekking tot de vraag of het college zijn verzoek om ontheffing conform zijn wens had uitgevoerd.

3.1. Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad dat in de brief van 21 februari 2005 duidelijk staat vermeld dat het ingezette re-integratietraject appellant heeft doen besluiten dat terugkeer in de eigen functie niet meer binnen zijn mogelijkheden valt. Appellant wordt vervolgens bovenformatief geplaatst binnen het samenwerkingsverband met de brandweer Leidschendam-Voorburg, waarbij het college verder aangeeft dat appellant op het moment dat hij volledig is hersteld, onder voorwaarden weer binnen de formatie geplaatst zal kunnen worden. Hieruit kan naar het oordeel van de Raad geen andere conclusie worden getrokken dan dat appellant bij het besluit van 8 februari 2005 uit zijn volledige functie is ontheven. Hierbij tekent de Raad aan dat de functie van appellant weliswaar meerledig van aard was, maar blijkens verschillende gedingstukken als één functie werd aangeduid. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat van appellant verwacht had mogen worden bezwaar te maken tegen het besluit van 8 februari 2005, indien dat besluit niet in overeenstemming was met (de bedoeling van) zijn verzoek.

3.2. Het ter ondersteuning van zijn standpunt in hoger beroep door appellant overgelegde psychologische expertiserapport, opgesteld door drs. J.A.F. van der Veen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit die rapportage leidt de Raad af dat Van der Veen kennelijk ervan is uitgegaan dat appellant twee aparte functies vervulde (getuige onder meer de opmerking dat die functies niet als een Siamese tweeling aan elkaar verbonden waren). Hierbij is miskend dat officier van dienst geen nevenfunctie, maar een bestanddeel van appellants functie was. Reeds hierom kan de Raad aan die rapportage niet die betekenis hechten, die appellant daaraan gehecht wil zien.

3.3. Tot slot verwerpt de Raad de stelling van appellant dat bij hem de verwachting is gewekt dat de functie van officier van dienst nog altijd door hem werd vervuld. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

Dat de re-integratie van appellant mede was gericht op eventuele terugkeer in een repressieve functie betekent niet dat appellant tot aan dat moment op zo’n functie geplaatst bleef.

4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD