Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
08-4282 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om funcieonderhoud. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden. Afwijzing herhaald verzoek om functieonderhoud. Betrokkene heeft zich bij het verzoek om functieonderhoud beroepen op het naar zijn stelling soortgelijke geval van zijn collega H die naar aanleiding van een verzoek om functieonderhoud ten aanzien van zijn functie MVT A met terugwerkende kracht is ingeschaald in salarisschaal 8. De korpsbeheerder heeft niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. H, op wiens geval betrokkene zich heeft beroepen, heeft op 27 mei 2001 een verzoek om functie-onderhoud ingediend en heeft na de afwijzende beslissing op dit verzoek procedures aangespannen die tot drie achtereenvolgende uitspraken van de rechtbank Zutphen hebben geleid, die alle een vernietiging van door de korpsbeheerder genomen beslissingen op bezwaar inhielden. Bij de laatste van deze uitspraken, gedaan op 20 januari 2006, heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door in het kader van functieonderhoud voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 januari 2004 als functie van H die van MVT B vast te stellen. Deze uitspraak noopte de korpsbeheerder ertoe om H voor genoemde periode, en dus met terugwerkende kracht, te salariëren naar schaal 8. Deze hogere salariëring was dus een direct en noodzakelijk gevolg van de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene heeft echter terzake van de afwijzing van zijn verzoek om functie-onderhoud geen beroep bij de rechtbank ingesteld. Reeds hierom kan zijn geval niet op een lijn worden gesteld met dat van H.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4282 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [Betrokkene], gewoond hebbende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 juni 2008, 07/1663 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Niks, werkzaam bij de politieregio [regio].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [Betrokkene] (hierna: betrokkene) was van 1 november 1996 tot 1 januari 2004 werkzaam als medewerker vreemdelingentoezicht A (hierna: MVT A) bij de Vreemdelingendienst van de politieregio [regio]. Aan deze functie was de salarisschaal 7 verbonden.

1.2. Omstreeks september 1998 heeft betrokkene de korpsbeheerder gevraagd zijn functie van MVT A in overeenstemming te brengen met de door hem feitelijk verrichte werkzaamheden welke volgens betrokkene dezelfde waren als die van de medewerker vreemdelingentoezicht B (hierna: MVT B); aan deze laatste functie was de salarisschaal 8 verbonden. Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft de korpsbeheerder dit verzoek om functieonderhoud afgewezen en betrokkene opgedragen zich bij het verrichten van zijn werkzaamheden te beperken tot die van de MVT A. Bij besluit van 22 april 1999 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 29 oktober 1998 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden.

1.3. Bij brief van 23 januari 2007 heeft betrokkene de korpsbeheerder verzocht om functieonderhoud voor de periode van 1 november 1996 tot 1 januari 2004 met dienovereenkomstige functiewaardering en inschaling in salarisschaal 8. Hij heeft zich daarbij beroepen op het naar zijn stelling soortgelijke geval van zijn collega H die naar aanleiding van een verzoek om functieonderhoud ten aanzien van zijn functie MVT A met terugwerkende kracht is ingeschaald in salarisschaal 8. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft de korpsbeheerder dit verzoek afgewezen. Daarbij is overwogen dat het geval van betrokkene niet gelijk kan worden gesteld met dat van H. Bij het bestreden besluit van 28 augustus 2007 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 februari 2007 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep bij de rechtbank ingesteld. Op 16 januari 2008 is hij overleden. Appellanten hebben de procedure voortgezet.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Blijkens de gedingstukken en het ter zitting verhandelde spitst dit geschil zich toe op de vraag of de korpsbeheerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. H, op wiens geval betrokkene zich heeft beroepen, heeft op 27 mei 2001 een verzoek om functie-onderhoud ingediend en heeft na de afwijzende beslissing op dit verzoek procedures aangespannen die tot drie achtereenvolgende uitspraken van de rechtbank Zutphen hebben geleid, die alle een vernietiging van door de korpsbeheerder genomen beslissingen op bezwaar inhielden. Bij de laatste van deze uitspraken, gedaan op 20 januari 2006, heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door in het kader van functieonderhoud voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 januari 2004 als functie van H die van MVT B vast te stellen. Deze uitspraak noopte de korpsbeheerder ertoe om H voor genoemde periode, en dus met terugwerkende kracht, te salariëren naar schaal 8. Deze hogere salariëring was dus een direct en noodzakelijk gevolg van de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene heeft echter terzake van de afwijzing van zijn in 1.2 genoemde verzoek om functie-onderhoud geen beroep bij de rechtbank ingesteld. Reeds hierom kan zijn geval niet op een lijn worden gesteld met dat van H.

3.2. Appellanten hebben ter zitting nog gewezen op de vaststelling door de korpsbeheerder op 22 december 2004 van een - organieke - functiebeschrijving voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 januari 2004, die in de plaats kwam van die van de functie MVT A. De Raad ziet evenwel niet in dat de vaststelling van deze (uiteindelijk niet geëffectueerde) functiebeschrijving waaraan de salarisschaal 7 was verbonden, gevolgen kan hebben voor de beoordeling in dit geschil, nu betrokkene aanspraak maakte op salarisschaal 8.

3.3. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.G. Rottier en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD