Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08-392 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft terecht appellantes betoog verworpen dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv onvoldoende of onzorgvuldig is geweest, omdat in de FML onvoldoende rekening wordt gehouden met haar beperkingen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de medische beperkingen die door de primaire verzekeringsarts bij appellante zijn vastgesteld en door de bezwaarverzekeringsarts zijn bevestigd, onjuist zijn. De Raad kan in de in hoger beroep overgelegde medische stukken geen aanwijzing lezen dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid, op de datum die in dit geding van belang is, onjuist zijn vastgesteld. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie, onder meer opgenomen in zijn uitspraak van 22 mei 2009 (LJN BI5961), overweegt de Raad dat bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO andere dan medische aspecten, waaronder huishoudelijke taken en opvoeding en verzorging van kinderen, buiten beschouwing dienen te blijven. Met de rechtbank, en op de gronden die de rechtbank aan haar overweging dienaangaande ten grondslag heeft gelegd, is de Raad verder van oordeel dat de in bezwaar aan appellante voorgehouden voorbeeldfuncties in medisch opzicht geschikt voor haar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/392 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 december 2007, 07/1278 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere medische stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, gereageerd op stukken die namens appellante zijn ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.F. Honders, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellante was een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Bij besluit van 27 november 2006 is aan appellante meegedeeld dat haar uitkering op grond van de WAO met ingang van 28 januari 2007 wordt ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 10 april 2007 gegrond verklaard en de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 28 januari 2007 herzien naar 15 tot 25%. Aan zowel het besluit van 27 november 2006 als dat van 10 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) ligt een (verzekerings)geneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

2.1. In de fase van de primaire besluitvorming heeft verzekeringsarts J. Biersteker op 4 juli 2006 en 18 september 2006 rapport uitgebracht. Hij is, mede op basis van informatie van de behandelend sector, tot de conclusie gekomen dat er bij appellante sprake is van een ziekte of gebrek. Appellante heeft beperkingen op het persoonlijke, sociale en medische vlak. Biersteker acht appellante geschikt voor werkzaamheden met een lichte fysieke belasting en een wisselende werkhouding. Op basis van deze conclusie is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 4 juli 2006, opgesteld. Er is volgens deze arts geen reden om een urenbeperking op te nemen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.M.A. Pompe met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) voorbeeldfuncties geselecteerd, hetgeen heeft geleid tot de vaststelling dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2.2. Naar aanleiding van het bezwaar heeft een heronderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal. Admiraal heeft een dossieronderzoek verricht, is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft zowel een lichamelijk als een oriënterend psychiatrisch onderzoek verricht. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een verzekeringsgeneeskundig rapport van 13 maart 2007. Admiraal kan zich volgens dat rapport verenigen met de bevindingen en conclusie van de verzekeringsarts Biersteker. Wegens opheffing van een -naar gesteld is- beperkende toelichting bij aspect 5.9 ‘Afwisseling van houding’ is de FML van 4 juli 2006 door Admiraal in een FML van 12 maart 2007 aangepast. Vervolgens is een heronderzoek verricht door de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk. De bevindingen van deze bezwaararbeidsdeskundige zijn neergelegd in een rapport van 5 april 2007. Uitgaande van de in bezwaar bevestigde belastbaarheid van appellante acht Van Wijk de functies productiemedewerker textiel geen kleding (sbc-code 272043), magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220) en productie medewerker industrie, samenstellen produkten, (sbc-code 111180) geschikt voor appellante. Op basis van deze geselecteerde functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 15% tot 25%.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besteden besluit ongegrond verklaard.

4. In eerste aanleg en in hoger beroep heeft appellante in de kern gelijkluidende gronden aangevoerd. Samengevat heeft zij betoogd dat de onderzoeken door de artsen van het Uwv onvoldoende zorgvuldig zijn verricht, dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de behandelend sector en voorts dat zowel haar psychische als haar lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van deze gronden heeft appellante in hoger beroep diverse medische stukken overgelegd.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. De rechtbank heeft terecht appellantes betoog verworpen dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv onvoldoende of onzorgvuldig is geweest, omdat in de FML onvoldoende rekening wordt gehouden met haar beperkingen. De rechtbank heeft met juistheid in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts dossierstudie heeft verricht, appellante psychisch heeft onderzocht en bij het vaststellen van de beperkingen van appellante rekening heeft gehouden met de informatie van de huisarts en de behandelaar van Altrecht. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn oordeel gevormd op basis van zijn eigen onderzoek, waarbij hij appellante zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht en van de in het dossier aanwezige -medische- informatie en de onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts kennis heeft genomen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de medische beperkingen die door de primaire verzekeringsarts bij appellante zijn vastgesteld en door de bezwaarverzekeringsarts zijn bevestigd, onjuist zijn.

5.2. De Raad kan in de in hoger beroep overgelegde medische stukken geen aanwijzing lezen dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid, op de datum die in dit geding van belang is, onjuist zijn vastgesteld. Zo heeft, naar het oordeel van de Raad, de informatie opgenomen in het afschrift van de medische kaart van de huisarts geen betrekking op de datum in geding en dit geldt eveneens voor de brief van psychiater Van Tillo van 27 februari 2008. Voorts onderschrijft de Raad hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 25 juli 2008 met betrekking tot de door appellante in hoger beroep overgelegde medische stukken heeft weergegeven. In dit rapport vermeldt de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd waarom de medische informatie, opgenomen in de brieven van de behandelend neuroloog en reumatoloog, geen aanleiding geeft bij appellante zwaardere beperkingen aan te nemen dan die weergegeven in de FML. Ten overvloede merkt de Raad nog op dat toegenomen beperkingen ontstaan na de datum in geding geen rol kunnen spelen.

5.3. Ter zitting is door appellante aangevoerd dat zij -mede- vanwege de door fibromyalgie veroorzaakte pijnklachten problemen ervaart bij het voeren van haar huishouden en de verzorging van de kinderen. Voorts is aangevoerd dat verschillende artsen van mening zijn dat appellante aan fibromyalgie leidt en dat dit aanleiding kan zijn om aan haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.

5.4. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie, onder meer opgenomen in zijn uitspraak van 22 mei 2009 (LJN BI5961), overweegt de Raad dat bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO andere dan medische aspecten, waaronder huishoudelijke taken en opvoeding en verzorging van kinderen, buiten beschouwing dienen te blijven.

5.5. Voort overweegt de Raad, ervan uitgaande dat appellante ter zitting een beroep heeft gedaan op de ‘objectiveringseis jurisprudentie’ onder meer tot uitdrukking komend in zijn uitspraak van 9 juni 2009 (LJN BI9617) dat in het kader van de onderhavige beoordeling geen sprake is van een situatie waarin wordt voldaan aan de minimumeis dat bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat appellante als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de geduide functies te verrichten. Hetgeen appellante ter zitting heeft gesteld omtrent de samenloop van de bij haar bestaande medische beperkingen is door appellante op geen enkele wijze onderbouwd en dat kan niet leiden tot het door haar gewenste resultaat.

5.6. Met de rechtbank, en op de gronden die de rechtbank aan haar overweging dienaangaande ten grondslag heeft gelegd, is de Raad verder van oordeel dat de in bezwaar aan appellante voorgehouden voorbeeldfuncties in medisch opzicht geschikt voor haar zijn.

5.7. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EK