Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
08-3901 AW + 08-7262 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Bij het naar aanleiding van uitspraak van de Raad van 10 juli 2008, LJN BD7796, genomen besluit van 25 november 2008 heeft het College het bestreden besluit van 5 september 2007, betreffende de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag, ingetrokken. Geen belang meer. Niet-ontvankelijkverklaring. 2) Ontslag, primair op grond van artikel 8:13 van het CAR/EAR wegens plichtsverzuim, bestaande uit de gedragingen van appellant op 5 februari 2007, in strijd met het ziekteverzuimprotocol en subsidiair op grond van artikel 8:8 van het CAR/EAR wegens het ontbreken van een basis voor een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Daaraan heeft het college “het feitencomplex sinds 2003” ten grondslag gelegd. De primaire ontslaggrond kan niet in stand blijven, omdat de opgelegde straf onevenredig is aan het vastgestelde, zeker niet zeer ernstig, plichtsverzuim. Niet naar behoren aangetoond dat appellant zich bij gelegenheden zodanig heeft gedragen dat er uiteindelijk sprake was van een onheelbare verstoring van de arbeidsrelatie. Het college mist dus de bevoegdheid om appellant op de hier besproken grond te ontslaan. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3901 AW + 08/7262 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 mei 2008, 07/3456 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: college)

Datum uitspraak: 25 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op 25 november 2008 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Raaijmakers, mr. F. Özer-Yildirim,

J. van den Broek en M.J.M. Tielemans, allen werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken, waaronder de uitspraak van de Raad van 10 juli 2008, LJN BD7796, (hierna: uitspraak 1) en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 mei 1990 werkzaam als installateur/algemeen onderhouds-monteur bij de gemeente Eindhoven. Bij besluit van 23 december 2003 is aan appellant met ingang van 1 januari 2004 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar, wegens plichtsverzuim dat bestond uit het bij herhaling overtreden van de ziekteverzuimvoorschriften en het regelmatig te laat op het werk komen. Bij besluit van 9 december 2004 is aan appellant de disciplinaire straf opgelegd van vermindering van twee verlofdagen wegens plichtsverzuim, bestaande uit het bij herhaling overtreden van de ziekteverzuimvoorschriften en onrechtmatig verzuim. Appellant heeft in beide besluiten berust.

1.2. Bij besluit van 24 oktober 2005 is het college per 1 november 2005 overgegaan tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafontslag. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het overtreden van de ziekteverzuimvoorschriften, het stelselmatig te laat op het werk verschijnen en onrechtmatig verzuim. Bij besluit van 27 april 2006 is - voor zover van belang - het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2005 gegrond verklaard. Daarbij is uitsluitend in aanmerking genomen het feit dat appellant op 1 februari 2005 te laat op het werk is verschenen en is de disciplinaire straf van ontslag omgezet in die van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 12 februari 2007, 06/3290, het beroep van appellant tegen het besluit van 27 april 2006 ongegrond verklaard.

1.3. De Raad heeft bij uitspraak 1 (kort gezegd) de uitspraak van 12 februari 2007 en het besluit van 27 april 2006, voor zover het betrekking heeft op de aan appellant opgelegde disciplinaire straf, vernietigd en het primaire besluit van 24 oktober 2005 herroepen. Daartoe is overwogen dat het aan appellant verweten plichtsverzuim (te weten: het te laat op het werk komen op 1 februari 2005) onvoldoende vaststaat, zodat het college niet bevoegd was appellant disciplinair te straffen.

1.4. Appellant heeft zich op 5 februari 2007 kort na 08.00 uur bij een leidinggevende ziek gemeld. Herhaalde pogingen van de leidinggevende om in aansluiting hierop met appellant in contact te komen, slaagden niet. Vervolgens heeft appellant ’s middags telefonisch contact met zijn leidinggevende gezocht vanuit het instituut dat hem wegens zijn alcoholproblemen begeleidt.

1.5. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het college - voor zover hier van belang - de bij het besluit van 27 april 2006 voorwaardelijk opgelegde straf van ontslag met ingang van 1 april 2007 ten uitvoer gelegd, omdat (kort gezegd) de gedragingen van appellant op 5 februari 2007 strijden met het verzuimprotocol van de gemeente Eindhoven. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 5 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit betreffende het ontslag ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij - samengevat - overwogen dat appellant zich met zijn gedragingen op 5 februari 2007 heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en dat het college bevoegd was de bij het besluit van 27 april 2006 voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer te leggen.

3. De Raad stelt voorop dat het college bij het naar aanleiding van uitspraak 1 genomen besluit van 25 november 2008 het bestreden besluit van 5 september 2007 en het primaire besluit van 28 maart 2007, betreffende de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag, heeft ingetrokken. Appellant heeft dus geen belang meer bij een vernietiging van het bestreden besluit van 5 september 2007. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

4. De Raad stelt vervolgens vast dat het geding in hoger beroep zich op voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het besluit van 25 november 2008. Dit is het geval, omdat bij dat besluit de besluiten van 28 maart 2007 en 5 september 2007 zijn ingetrokken en vervangen. Het besluit van 25 november 2008 komt voorts aan het hoger beroep van appellant niet tegemoet.

Bij dat besluit heeft het college, na het voornemen daartoe te hebben geuit waarop appellant heeft gereageerd, aan appellant met ingang van 1 april 2007 ontslag verleend, primair op grond van artikel 8:13 van het CAR/EAR wegens plichtsverzuim, bestaande uit de gedragingen van appellant op 5 februari 2007, en subsidiair op grond van artikel 8:8 van het CAR/EAR wegens het ontbreken van een basis voor een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Daaraan heeft het college “het feitencomplex sinds 2003” ten grondslag gelegd.

Gelet op hetgeen partijen met betrekking tot dit besluit hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad is met het college van oordeel dat appellant met zijn gedragingen op 5 februari 2007, zoals onder 1.4 is omschreven, heeft gehandeld in strijd met het ziekteverzuimprotocol. Omdat zijn dienst aanving om 08.00 uur had appellant zich vóór dat tijdstip bij zijn leidinggevende moeten ziekmelden, en niet (zij het een weinig) later. Voorts is gebleken dat appellant, anders dan het protocol voorschrijft, op 5 februari 2007 niet thuis en bereikbaar was. Appellant heeft zich reeds op deze wijze schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De Raad is niet gebleken dat appellant dit plichtsverzuim niet kan worden aangerekend. Weliswaar is er sprake van dat de oorzaak van dit plichtsverzuim in het (aan het college bekende) drankprobleem van appellant was gelegen, maar dit kan hem wegens het ontbreken van nadere gegevens hierover niet disculperen. In aanmerking genomen dat appellant in de voormiddag van 5 februari 2007 contact heeft gezocht met het college oordeelt de Raad dat het besluit van 25 november 2008 met betrekking tot de primaire ontslaggrond niet in stand kan blijven, omdat de opgelegde straf onevenredig is aan het vastgestelde, zeker niet zeer ernstig, plichtsverzuim. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de gebeurtenissen op 5 februari 2007, gezien de feiten, op zichzelf staan en van een zogenoemd doorgaand gedrag van appellant niet gesproken kan worden. Het onder 1.1 vermelde plichtsverzuim ligt immers in een wat verder verleden. Het college was dan ook niet bevoegd appellant op de primaire grond van het besluit van 25 november 2008 te ontslaan.

4.2. Inzake de in het besluit van 25 november 2008 opgenomen subsidiaire ontslaggrond komt de Raad niet tot een ander oordeel. Met name is de Raad van oordeel dat het college niet naar behoren heeft aangetoond dat appellant in de tijd tussen het onder 1.1 genoemde besluit van 9 december 2004 en het onder 1.5 genoemde besluit van 28 maart 2007 inzake het plichtsverzuim van appellant op 5 februari 2007 zich bij gelegenheden zodanig heeft gedragen dat er uiteindelijk sprake was van een onheelbare verstoring van de arbeids-relatie met appellant. Het college mist dus de bevoegdheid om appellant op de hier besproken grond te ontslaan.

4.3. Uit hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 is vermeld, volgt dat het beroep dat appellant geacht moet worden tegen het besluit van 25 november 2008 te hebben ingesteld, gegrond verklaard moet worden en dat dit besluit moet worden vernietigd. De Raad voegt hieraan toe dat appellant, gezien de vastgestelde feiten, intussen als een gewaarschuwd man moet gelden en zich als zodanig ook zal moeten gedragen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het college met toepassing van de artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 november 2008 gegrond en vernietigt dit besluit;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th Wolleswinkel en B.C. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD