Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08-5025 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag verleend wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim is ten volle aan appellant toe te rekenen. Het feit dat appellant een langdurig dienstverband had bij de belastingdienst maakt, gelet op de ernst van het totale plichtsverzuim, de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5025 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 juli 2008, 07/634 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als deurwaarder bij de Belastingdienst/[regio]. Naar aanleiding van de gang van zaken bij een executoriale verkoop op 27 mei 2005, waar appellant als verkopend deurwaarder optrad, heeft zijn leidinggevende

geconstateerd dat appellant zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Hierop heeft het managementteam aan de FIOD-ECD verzocht een onderzoek in te stellen. Op 17 januari 2006 heeft de FIOD-ECD het onderzoeksverslag aan het managementteam toegezonden. Uit het verslag en uit nadere gesprekken en onderzoek heeft het managementteam geconcludeerd dat appellant verscheidene gevallen van plichtsverzuim heeft gepleegd.

1.2. Bij brief van 11 juli 2006 heeft de staatssecretaris appellant het voornemen meegedeeld hem de straf van ontslag op te leggen. Appellant heeft schriftelijk zijn zienswijze gegeven. Daarop heeft de staatssecretaris appellant bij besluit van

27 september 2006 met ingang van 29 september 2006 onvoorwaardelijk ontslag verleend wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het besluit van 11 juni 2007 (hierna: bestreden besluit).

Blijkens het bestreden besluit wordt appellant, samengevat, verweten dat:

a. hij in strijd met de waarheid in een proces-verbaal van een openbare verkoping heeft vermeld dat goederen aan de heer [Z.] zijn verkocht, terwijl die in werkelijkheid waren toegevallen aan de rijksbieder;

b. hij heeft gehandeld in strijd met het voorschrift dat een deurwaarder niet op een openbare verkoping mag kopen daar, nu aannemelijk is dat [Z.] een gefingeerd persoon is, het eveneens aannemelijk is dat appellant de goederen zelf heeft verkregen;

c. hij de aldus verkregen computer met toebehoren dezelfde dag nog in zijn auto heeft afgevoerd en de overige goederen de volgende dag uit de loods heeft gehaald;

d. hij in strijd met het Handboek Deurwaarders auto’s heeft verkocht zonder dat daarbij iemand anders van de Belastingdienst aanwezig was en niet heeft gezorgd voor een vrijwaringsbewijs, een toewijzingsbewijs dan wel een sloopverklaring;

e. hij tot drie keer toe door hem als deurwaarder geïnde bedragen te laat heeft afgestort;

f. hij in 2005 misbruik heeft gemaakt van de hem ter beschikking gestelde mobiele telefoon door voor meer dan € 1.000,- privé-gesprekken te voeren.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat onduidelijk is gebleven of en in hoeverre appellant heeft geprofiteerd van de gang van zaken tijdens de openbare verkoping, in die zin dat daaruit niet zonder meer de overtuiging kan worden verkregen dat appellant de bewuste kavels zelf zou hebben gekocht. De overige onderdelen van het aan appellant verweten plichtsverzuim heeft de rechtbank voldoende vaststaand geacht. De aard en ernst van dat plichtsverzuim zijn zodanig, dat de straf van ontslag daaraan niet onevenredig is, aldus de rechtbank.

3.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank, onder verwijzing naar de desbetreffende vaste jurisprudentie van de Raad, de juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de bewijslevering in een tuchtrechtelijke zaak als de onderhavige.

3.2. De Raad kan zich voorts in hoofdzaak verenigen met hetgeen de rechtbank omtrent het aan appellant verweten plichtsverzuim en de opgelegde straf heeft overwogen. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad nog het volgende.

3.3. Anders dan appellant acht de Raad niet onbegrijpelijk, dat de rechtbank enerzijds heeft overwogen dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet zonder meer de overtuiging kan worden verkregen dat appellant de bewuste kavels zelf zou hebben gekocht, maar dat zijn handelwijze niettemin plichtsverzuim oplevert. De Raad begrijpt deze overweging van de rechtbank aldus dat voor de rechtbank voldoende vaststaat dat appellant bij de bewuste verkoping in ieder geval plichtsverzuim heeft gepleegd door eerst, in strijd met de geldende regels, spontaan goederen toe te wijzen aan de rijksbieder en vervolgens te suggereren dat hij na afloop van het bieden alsnog telefonisch een andere koper had gevonden voor de aan de rijksbieder toegewezen kavels, waarbij dit laatste kennelijk in strijd met de waarheid was, reeds omdat de tijd voor zo’n telefoon-gesprek had ontbroken.

3.4. De Raad kan geen geloof hechten aan de door appellant gegeven verklaring voor zijn handelwijze, namelijk dat hij zijn leidinggevende ter wille heeft willen zijn, die had aangegeven dat de belastingdienst niet aan deze goederen mocht blijven hangen, met als gevolg allerlei rompslomp voor goederen van geringe waarde. Met deze verklaring valt immers niet te rijmen dat appellant zelf dit risico van “blijven hangen” in de eerste plaats heeft veroorzaakt doordat hij tijdens de verkoping goederen spontaan is gaan toewijzen aan de rijksbieder, zonder dat deze enig bod daarop had uitgebracht.

3.5. Voor de Raad staat dan ook voldoende vast dat het appellant is geweest die in zijn rol van verkopend deurwaarder voor de onregelmatige gang van zaken tijdens de verkoping verantwoordelijk moet worden gehouden. Andere aanwezige ambtenaren van de belastingdienst, waaronder zijn leidinggevende, hadden appellant wellicht tegenspel kunnen bieden, maar het gaat de Raad te ver de leidinggevende, zoals appellant heeft gesteld, (mede) verantwoordelijk te achten voor de gang van zaken.

3.6. De Raad is voorts van oordeel, dat de geschetste handelwijze van appellant, gevolgd door de onjuiste aanduiding in het proces-verbaal, dat [Z] bij de verkoping als koper zou zijn opgetreden, als ernstig plichtsverzuim moet worden beschouwd, gelet op de hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid, die aan een belastingambtenaar gesteld worden. De Raad merkt daarbij nog op dat, wat er ook zij van het precieze motief dat appellant tot zijn handelwijze bracht, in ieder geval moet worden vastgesteld dat de gang van zaken op het aanwezige publiek de indruk moet hebben gemaakt dat de belastingdienst het niet zo nauw nam met de voorschriften. Door dit optreden heeft hij het door het publiek in de belastingdienst te stellen vertrouwen in ernstige mate geschaad.

3.7. De overige tenlastegelegde gedragingen, waarvan sommige, zoals aan appellant kan worden toegegeven, minder ernstig plichtsverzuim opleveren dan bovenomschreven gedragingen, bevestigen het beeld van een ambtenaar die het met de voor zijn professie geldende strikte voorschriften niet zo nauw nam en daardoor ernstig tekortschoot in zijn functioneren.

3.8. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het plichtsverzuim ten volle aan appellant is toe te rekenen. Het feit dat appellant een langdurig dienstverband had bij de belastingdienst maakt, gelet op de ernst van het totale plichtsverzuim, de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD