Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08-4515 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toepassing te geven aan de hardheidsbepaling, die was opgenomen in het sociaal statuut van 1992, door naar analogie van werkloze ambtenaren zijn pensioenpremie voor 50% te betalen aan de SPW. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat bij de overgang van het voormalig woningbedrijf naar de stichting met betrekking tot de pensioenregeling van het personeel in het sociaal statuut niet of niet naar billijkheid is voorzien. De omstandigheid dat de pensioenregeling van de SPW op een of meer onderdelen minder gunstig zou zijn dan de pensioenregeling van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (Abp) doet daaraan niet af, omdat de gemaakte pakketvergelijking heeft uitgewezen dat het SPW-pensioen voor het overgaande personeel als een meer dan gelijkwaardige pensioenregeling kon gelden. Het college heeft op goede gronden geweigerd toepassing te geven aan de hardheidsbepaling van het sociaal statuut. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4515 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2008, 07/4830 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: college)

Datum uitspraak: 25 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door E.H.W. Pikker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové, juridisch consultant van de Utrechtse Juristen Groep BV.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is tot 31 december 1992 werkzaam geweest bij het gemeentelijk woning-bedrijf van Hilversum. In verband met de verzelfstandiging daarvan is er gemeentelijk personeel overgegaan naar de Woningstichting Hilversum, later Woningstichting Dudok (hierna: stichting). Appellant is met ingang van 31 december 1992 in dienst getreden van de stichting. Voor deze overgang van gemeentelijk personeel gold het sociaal statuut van 11 september 1992. Vanaf de overgangsdatum is het personeel van de stichting deel-nemer in het pensioenfonds van de Stichting Pensioenfonds voor de Woningcorporaties (SPW). De arbeidsovereenkomst van appellant met de stichting is bij beschikking van 30 mei 2002 door de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam met ingang van

1 februari 2003 ontbonden.

1.2. Bij brief van 26 juni 2006 heeft appellant het college verzocht toepassing te geven aan de hardheidsbepaling, die was opgenomen in het sociaal statuut van 1992, door naar analogie van werkloze ambtenaren zijn pensioenpremie voor 50% te betalen aan de SPW.

Bij het bestreden besluit van 12 november 2007 heeft het college de afwijzing van dit verzoek na gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in hoofdzaak overwogen dat niet kan worden staande gehouden dat het sociaal statuut niet in billijkheid voorziet in een pensioenregeling, omdat na een grondige pakketvergelijking de pensioenregeling van de SPW over het geheel gezien de beste keuze was gebleken.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het sociaal statuut bevat bepalingen, waarmee een regeling wordt getroffen voor een aantal situaties, waarin de rechtspositie van het gemeentelijk personeel, dat overging naar de stichting, als gevolg van die overgang wijziging ondervond. Met betrekking tot de pensioenregeling is daarin opgenomen dat het personeel deelnemer wordt in het pensioenfonds van de SPW. Aan het sociaal statuut is als bijlage een overzicht toege-voegd, waarin de resultaten zijn weergegeven van een pakketvergelijking op diverse onderdelen van de rechtspositie. Uit dit overzicht blijkt dat de pensioenregeling van de SPW wordt aangemerkt als beter dan de bij de gemeente Hilversum geldende pensioen-regeling. Ten slotte is in het sociaal statuut bepaald dat, in gevallen waarin het sociaal statuut niet of niet naar billijkheid voorziet, het college van burgemeester en wethouders beslist.

3.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat bij de overgang van het voormalig woningbedrijf naar de stichting met betrekking tot de pensioenregeling van het personeel in het sociaal statuut niet of niet naar billijkheid is voorzien. De omstandigheid dat de pensioenregeling van de SPW op een of meer onderdelen minder gunstig zou zijn dan de pensioenregeling van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (Abp) doet daaraan niet af, omdat de gemaakte pakketvergelijking heeft uitgewezen dat het SPW-pensioen voor het overgaande personeel als een meer dan gelijkwaardige pensioenregeling kon gelden. De enkele omstandigheid dat het pensioen-reglement van de SPW, anders dan dat van het Abp, ten tijde van het verlies van het deelnemerschap door appellant in 2003 bij werkloosheid geen pensioenopbouw kende voor gewezen deelnemers, kan dus niet tot de conclusie leiden dat met het sociaal statuut niet in billijkheid is voorzien in de gevolgen van de overgang voor de pensioensituatie van het personeel.

3.3. Appellant heeft benadrukt dat blijkens de tekst van het sociaal statuut daarmee beoogd is de bij de gemeente Hilversum opgebouwde pensioenrechten te garanderen. Deze garantie kan echter niet zo ruim worden uitgelegd als appellant meent. Het sociaal statuut strekt er immers niet toe dat, naast het genieten van de rechtspositionele voordelen die aan de CAO voor de woningcorporaties en de pensioenregeling van de SPW ver-bonden waren, aanspraak wordt verleend op compensatie van de nadelige aspecten van die regelingen. De Raad wijst er in dit verband op dat in het sociaal statuut ook geen compensatie is opgenomen met betrekking tot een aantal onderdelen van de rechtspositie, waarbij de pakketvergelijking te zien gaf dat de CAO voor de woningcorporaties ongunstiger was dan de ambtelijke rechtspositieregeling.

3.4. Door appellant is nog aangevoerd dat destijds bij de pakketvergelijking niet is onderkend dat de SPW in tegenstelling tot het Abp geen regeling kende voor voortzetting van de pensioenopbouw bij werkloosheid van een gewezen deelnemer. Appellant heeft voor deze stelling geen enkele onderbouwing gegeven. Daarnaast is deze stelling van appellant te speculatief van karakter, voor zover hij daarmee wil betogen, dat, indien dit verschil destijds bij de pakketvergelijking wel zou zijn opgemerkt, de conclusie zou zijn geweest dat de voor- en nadelen van de pensioenregeling van de SPW niet met elkaar in evenwicht zouden zijn en er dan in het sociaal statuut een regeling voor zou zijn getroffen.

3.5. Ten slotte merkt de Raad nog op dat een verplichting tot betaling van pensioen-premies bij werkloosheid ook niet kan worden gebaseerd, zoals appellant meent, op de garantie die uit het sociaal statuut voortvloeit met betrekking tot de voor hem geldende wachtgeldregeling. De voortzetting van de pensioenopbouw voor ambtenaren met wachtgeld berust immers niet op de gemeentelijke wachtgeldregeling, maar op het van toepassing zijnde pensioenreglement.

4. Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het college op goede gronden heeft geweigerd toepassing te geven aan de hardheidsbepaling van het sociaal statuut. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD