Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08-4190 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om, met toepassing van artikel 9.3 van de Regeling beschikbaarstelling ambtenaren aan de Nederlandse Antillen en Aruba van 23 november 2005, Stcrt. 6 december 2005, nr. 237, (Rbana), deze regeling op zijn volledige uitzending van toepassing te verklaren. De Raad stelt eerst vast dat hij in (rechtsoverweging 3.1.4. van) zijn uitspraak van 18 december 2008, LJN BG9697 en TAR 2009, 86, heeft geoordeeld dat de beperkte terugwerkende kracht van de Rbana de aan te leggen terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. Dat appellant, anders dan de betrokkene in de zaak waarover de Raad in zijn uitspraak van 18 december 2008 heeft beslist, zijn verzoek om toepassing van de Rbana niet heeft gedaan lang nadat zijn terbeschikkingstelling was beëindigd, is naar het oordeel van de Raad, wat hiervan verder ook is, niet een feit dat aan het van toepassing zijn van die uitspraak afdoet. Van die uitspraak komt de Raad dan ook niet terug. Dit betekent dat appellant, ook niet op grond van het door appellant ingeroepen vertrouwensbeginsel dat hij baseert op de inhoud van het besluit tot terbeschikkingstelling, aan de Rbana aanspraken kan ontlenen, althans voor zover het betreft de periode vóór 1 juli 2004. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Van een over-schrijding van de redelijke termijn als door appellant gesteld, is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4190 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2008, 07/1249 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. O.W. Borgeld, juridisch adviseur te Bentveld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. F. van der Meyden, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

II. OVERWEGINGEN

1. Hierna wordt onder de minister mede verstaan de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft de staatssecretaris van Financiën appellant, werkzaam bij de eenheid Ondernemingen Amsterdam 2 van de Belastingdienst, voor de periode van 1 september 2001 tot 1 september 2004 in het kader van technische bijstand uitgezonden naar Sint Maarten (Nederlandse Antillen) ter vervulling van de vacature van behandelfunctionaris controle bij de Inspectie der Belastingen Sint Maarten. Appellant is daarbij voor die periode buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Tevens is appellant tijdens zijn verblijf in Sint Maarten onder meer een toelage toegekend als vermeld in artikel 3.2 van “de Rbana-regeling”. Hierbij ging het om het concept van de Regeling, houdende bepalingen betreffende de voorwaarden bij beschikbaarstelling van ambtenaren voor langere duur aan de Nederlandse Antillen en Aruba (concept-Rbana).

2.2. Bij brief van 20 januari 2006 heeft appellant de minister verzocht om, met toepassing van artikel 9.3 van de Regeling beschikbaarstelling ambtenaren aan de Nederlandse Antillen en Aruba van 23 november 2005, Stcrt. 6 december 2005, nr. 237, (Rbana), deze regeling op zijn volledige uitzending van toepassing te verklaren. Na een eerste reactie van de minister heeft appellant bij brief van 29 maart 2006 dit verzoek herhaald.

2.3. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 24 mei 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 april 2007. Kern van de afwijzing is dat op grond van artikel 9.6 van de Rbana de regeling in werking treedt op 6 december 2005 en terugwerkt tot 1 juli 2004.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven, dit met bepalingen betreffende griffierecht en proceskosten; tevens is het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

4. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten, en tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De minister heeft hiertegen gemotiveerd stelling genomen.

5. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

5.1. De Raad stelt eerst vast dat hij in (rechtsoverweging 3.1.4. van) zijn uitspraak van 18 december 2008, LJN BG9697 en TAR 2009, 86, heeft geoordeeld dat de beperkte terugwerkende kracht van de Rbana de aan te leggen terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. Dat appellant, anders dan de betrokkene in de zaak waarover de Raad in zijn uitspraak van 18 december 2008 heeft beslist, zijn verzoek om toepassing van de Rbana niet heeft gedaan lang nadat zijn terbeschikkingstelling was beëindigd, is naar het oordeel van de Raad, wat hiervan verder ook is, niet een feit dat aan het van toepassing zijn van die uitspraak afdoet. Van die uitspraak komt de Raad dan ook niet terug. Dit betekent dat appellant, ook niet op grond van het door appellant ingeroepen vertrouwensbeginsel dat hij baseert op de inhoud van het besluit tot terbeschikkingstelling, aan de Rbana aanspraken kan ontlenen, althans voor zover het betreft de periode vóór 1 juli 2004.

5.2. Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft appellant voorts, evenals in eerste aanleg, gebaseerd op brieven van de staatssecretaris van Financiën van 12 mei 2003 en 16 augustus 2005. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank in (de rechts-overwegingen 7.2 en 7.3 van) de aangevallen uitspraak aan dat beroep heeft gewijd.

5.3. In beroep heeft appellant om schadevergoeding verzocht, omdat naar zijn mening sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden dat verzoek heeft afgewezen. De Raad onderschrijft in het bijzonder het oordeel van de rechtbank dat voor het begin van die termijn moet worden uitgegaan van de brief van appellant van 29 maart 2006, en niet van zijn brief van 20 januari 2006.

6. Ook in hoger beroep heeft appellant gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en om schadevergoeding verzocht.

De Raad overweegt dat, sinds de brief van appellant van 29 maart 2006 en te rekenen tot de datum van deze uitspraak, geen vier jaren zullen zijn verstreken. Van een over-schrijding van de redelijke termijn als door appellant gesteld, is dan ook geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding kan niet worden toegewezen.

7. Op grond van het voorgaande moet de aangevallen uitspraak, voor zover aange-vochten, worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD