Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6906

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08/5615 AW + 09/535 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Voor de Raad is op grond van de eigen verklaringen van betrokkene voldoende aannemelijk geworden dat hij tijdens de twee incidenten onvoldoende de-escalerend is opgetreden in zijn functie van parkeercontroleur. Het college kon tot de conclusie komen dat het hem de grondhouding ontbreekt om zijn functie op de door het college gewenste wijze te vervullen. Dan kan van het college niet worden gevergd dat betrokkene een kans op verbetering wordt geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5615 AW en 09/535 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2008, 07/2805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

het college

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 11 december 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Betrokkene heeft een reactie op dit nieuwe besluit ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, S. Slappendel en M. van Doorn, allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.J. Horlings, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was vanaf 1 december 2001 werkzaam bij de dienst Stadstoezicht, laatstelijk in de functie van parkeercontroleur.

Op 18 mei 2005 en 4 november 2005 was betrokkene bij een tweetal geweldsincidenten betrokken.

Bij besluit van 21 december 2006, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 juli 2007, heeft het college in verband met deze incidenten betrokkene op grond van artikel 91, eerste lid, van het Ambtenarenreglement (AR), met ingang van 22 februari 2007, ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hem uit deze incidenten is gebleken dat betrokkene in onvoldoende mate de-escalerend kan optreden en dat hij in beide gevallen ten onrechte heeft nagelaten om met zijn portofoon een spoedoproep te doen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor de rechtbank staat vast dat betrokkene tijdens het incident op 18 mei 2005 inderdaad met zijn portofoon een noodoproep had kunnen doen. De rechtbank heeft echter overwogen dat de verklaringen over beide incidenten te weinig inzicht bieden om de vraag te kunnen beantwoorden of betrokkene in voldoende mate de-escalerend is opgetreden en of betrokkene tijdens het incident op 4 november 2005 in de gelegenheid is geweest om een spoedoproep te doen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college zonder nadere onderbouwing niet heeft kunnen zeggen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is.

3. Het college heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat op grond van de verklaringen over de beide incidenten niet kan worden vastgesteld of betrokkene voldoende de-escalerend heeft opgetreden. Verder heeft het college naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan betrokkene een verbetertraject had moeten worden aangeboden.

Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nadere besluit van 11 december 2008.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.3. Voor de Raad is op grond van de eigen verklaringen van betrokkene voldoende aannemelijk geworden dat hij tijdens de twee incidenten onvoldoende de-escalerend is opgetreden.

De verklaring die betrokkene op 18 mei 2005 heeft afgelegd over het incident op die dag, komt op het volgende neer. Betrokkene is tussen zijn collega C en een burger gaan staan en heeft vervolgens de burger weggeduwd. Het zou kunnen zijn dat betrokkene daarbij de keel van de burger heeft dicht geknepen. Toen de burger op betrokkene kwam aflopen, zag betrokkene dat de burger hem wilde slaan. Betrokkene had vervolgens de intentie om de burger uit zelfverdediging terug te slaan. Daartoe kreeg betrokkene echter niet de gelegenheid, omdat omstanders hem van achteren beetpakten en hem naar de overkant van de straat brachten.

Uit het gespreksverslag van 12 december 2005 blijkt dat betrokkene het volgende over het incident op 4 november 2005 heeft verklaard. Een burger liep na het uitschrijven van een bekeuring door betrokkene scheldend op hem af. Voordat betrokkene zich kon omdraaien, had de burger betrokkene een klap op zijn mond gegeven, waarop hij bloed proefde. Betrokkene zag de burger weer aanstalten maken om te slaan, waarop betrokkene de burger uit zelfverdediging een vuistslag gaf. Vervolgens kwam de burger weer dreigend op betrokkene af. Betrokkene heeft daarop uitgehaald, waarna de burger op de grond viel. Een passant heeft betrokkene daarna bij de burger vandaan gehouden.

Deze verklaringen geven een beeld van de wijze waarop betrokkene zich pleegt te gedragen in situaties waarin het erop aankomt geweldsincidenten te voorkomen. Dat beeld is bevestigd onder meer tijdens de hoorzitting van 19 september 2006, waar betrokkene heeft verklaard dat hij terugslaat als hij wordt geslagen en dat hij niet op straat loopt om zich te laten slaan. Hij heeft tijdens de hoorzitting verder verklaard dat hij het “te gek voor woorden” vindt dat hij zich niet zou mogen verdedigen.

Betrokkene geeft hiermee blijk van eigenschappen die niet passen bij de functie van parkeercontroleur. Van een dergelijke functionaris moet en kan namelijk verwacht worden dat hij in situaties als bovengenoemd de-escalerend optreedt. Een parkeercontro-leur moet zich realiseren dat hij geweld moet vermijden en dat hij zich niet laat mee-slepen in welke vorm van agressie dan ook. Dit is in overeenstemming met het zoge-naamde Protocol ‘Spoed’, waarin is gewezen op het belang van het gebruiken van de portofoon en in gevallen waarin een conflict dreigt te ontstaan, van de noodknop. Zeker bij het incident van 18 mei 2008 heeft betrokkene dit veronachtzaamd.

4.4. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat het college nog niet tot ontslag kon overgaan maar betrokkene eerst nog een verbeterkans had moeten bieden. Het college kon gelet op de onder 4.3 aangehaalde verklaringen van betrokkene tijdens de hoorzitting van 19 september 2006 tot de conclusie komen dat het hem de grondhouding ontbreekt om zijn functie op de door het college gewenste wijze te vervullen. Dan kan van het college niet worden gevergd dat betrokkene een kans op verbetering wordt geboden.

4.5. De Raad komt daarom tot de slotsom dat het college terecht heeft geoordeeld dat betrokkene ongeschikt was in de zin van artikel 91, eerste lid, van het AR. Het college was dan ook bevoegd betrokkene op die grond ontslag te verlenen. Het bestreden besluit kan dus in rechte standhouden en het hoger beroep van het college treft doel. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep van het college tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard. Daarmee ontvalt de grondslag aan het besluit van 11 december 2008, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Vernietigt het besluit van 11 december 2008.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD