Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
08-7213 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitblijven besluit van het college op het verzoek om toepassing van de zogenoemde Zevenjarige overgangsregeling ziektekosten postactieven. De Raad ziet geen grond om het college te volgen in zijn opvatting dat het verzoek niet zou zijn aangekomen, aangezien van de zijde van het college aan appellant de ontvangst daarvan is bevestigd in een e-mailbericht. Appellant heeft terecht bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek. Het bezwaar van appellant was dus niet alleen ontvankelijk maar bovendien gegrond. Op het verzoek van appellant van 16 december 2008 aan het college om alsnog te beslissen op zijn verzoek van 8 februari 2007 heeft het college op 15 januari 2009 besloten, dat het niet het bevoegde orgaan is om een besluit te nemen over de overgangsregeling. Het college heeft het verzoek overgedragen aan IZA Zorgverzekeraar n.v. De Raad onderschrijft dat standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7213 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 07/2678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: college)

Datum uitspraak: 25 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 14 januari 2010. Appellant is verschenen. Het college, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.R. Oudendijk en A. Koch, beiden werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is na een aanstelling als ambtenaar bij de gemeente Amstelveen per 1 augustus 1998 met pré VUT gegaan en woont inmiddels sinds geruime tijd in Frankrijk. Hij is na zijn ontslag voor ziektekosten verzekerd gebleven bij het toenmalige publiek-rechtelijke Instituut Ziektekostenverzekering Ambtenaren. Bij de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 kon appellant zijn ziektekostenverzekering niet voortzetten bij de (nieuwe) IZA Zorgverzekeraar n.v. Appellant heeft zich elders verzekerd.

1.2. Nadat appellant van een medewerkster van de gemeente Amstelveen de zogenoemde Zevenjarige overgangsregeling ziektekosten postactieven (hierna: overgangsregeling) had ontvangen en enig contact had gehad over de (niet) toepasselijkheid van die regeling op hem, heeft hij bij brief van 8 februari 2007 aan het college verzocht om toepassing van de overgangsregeling. Bij brief van 16 april 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek. Hij heeft daarbij ook opnieuw verzocht om hem in aanmerking te brengen voor de overgangsregeling. Bij het bestreden besluit van 26 juni 2007 is het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gebleven.

2. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat zijn bezwaar wel ontvankelijk was, omdat het college nalatig was gebleven om tijdig op zijn verzoek te beslissen. Hij is voorts van opvatting gebleven dat het college jegens hem het bevoegde orgaan is om een besluit te nemen over de overgangsregeling.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het bezwaarschrift van appellant van 16 april 2007 was primair gericht tegen het uitblijven van een besluit van het college op zijn verzoek van 8 februari 2007. De Raad ziet geen grond om het college te volgen in zijn opvatting dat het verzoek niet zou zijn aangekomen, aangezien van de zijde van het college aan appellant de ontvangst daarvan is bevestigd in een e-mailbericht van 3 april 2007.

3.2. Voor het nemen van een beslissing op appellants verzoek gold ingevolge artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de redelijke termijn als beslistermijn. Aangezien het college appellant niet met toepassing van artikel 4:14 van de Awb in kennis had gesteld van een verlenging van de beslistermijn en op 16 april 2007 meer dan acht weken na het verzoek waren verstreken, heeft appellant terecht bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek. Het bezwaar van appellant was dus niet alleen ontvankelijk maar bovendien gegrond.

3.3. De rechtbank heeft het vorenstaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen.

4. Op het verzoek van appellant van 16 december 2008 aan het college om alsnog te beslissen op zijn verzoek van 8 februari 2007 heeft het college op 15 januari 2009 besloten, dat het niet het bevoegde orgaan is om een besluit te nemen over de overgangs-regeling. Het college heeft het verzoek overgedragen aan IZA Zorgverzekeraar n.v.

Nu partijen zich inhoudelijk hebben uitgelaten over de (on)bevoegdheid van het college inzake de overgangsregeling zal de Raad gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, ook de vraag beantwoorden of dit besluit van 15 januari 2009 in rechte stand kan houden.

4.1. Het college heeft ter motivering van zijn onbevoegdheid aangegeven dat de over-gangsregeling bestaat uit een premiekorting voor postactieve gemeenteambtenaren die bij Zorgverzekeraar IZA n.v. verzekerd zijn en tevens aldaar een aanvullende ziektekosten-verzekering hebben. De IZA Zorgverzekeraar n.v. int deze premie en het college heeft geen enkele bemoeienis met deze ziektekostenverzekering en de premiekorting.

4.2. Appellant is van opvatting dat het college wel bevoegd is, omdat de overgangs-regeling als collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst tussen het College voor Arbeidszaken van de VNG (namens de gemeenten) en de werknemersorganisaties - de centrales (namens de (oud)-werknemers) - is getroffen.

4.3. De gedingstukken laten zien dat de afspraak over de overgangsregeling in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) is gemaakt en dat de VNG deze LOGA afspraak in een bijlage, gedateerd 7 december 2005, bij een brief bekend heeft gemaakt. Deze afspraak heeft niet geleid tot een rechtspositionele bepaling in de door het college vastgestelde arbeidsvoorwaardenregeling voor (postactieve) gemeenteambtenaren. In zoverre verschilt de positie van appellant van die welke aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 24 september 2009, LJN BJ8704, ten aanzien van een eenmalige uitkering van € 775,- bij enige gepensioneerde provincieambtenaren. Anders dan appellant meent, kan de overgangsregeling dus niet worden aangemerkt als een voor appellant als gewezen of postactieve ambtenaar geldend rechtspositioneel voorschrift. Nu ook anderszins niet is gebleken van enige betrokkenheid van het college bij de (toepassing van de) overgangsregeling door IZA Zorgverzekeraar n.v., is de Raad van oordeel dat het college zich terecht niet bevoegd acht om een besluit te nemen over de overgangsregeling.

4.4. Het vorenstaande brengt mee dat het besluit van 15 januari 2009 in rechte stand kan houden. De Raad zal het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 15 januari 2009 ongegrond verklaren.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 272,70 aan reiskosten. De door appellant gevraagde vergoeding van de kosten van per aangetekende post verzonden brieven wordt niet gehonoreerd, aangezien het Besluit proceskosten bestuursrecht deze onkostenpost niet noemt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2009 ongegrond;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 272,70; Bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal

€ 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD