Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
09-1614 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. De Raad is met het college van oordeel dat appellante door de verklaringen een beeld heeft opgeroepen van niet betrouwbaarheid, dat zij nadien niet heeft kunnen wegnemen. Daarbij heeft de Raad niet alleen het oog op de tegenstrijdigheid van de verklaringen maar ook op de ongeloofwaardigheid ervan. Deugdelijk onderzoek Deloitte. Ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1614 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 januari 2009, 08/2581 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de [naam gemeente] (hierna: college)

Datum uitspraak: 25 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Appellante is verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C. Mertens, werkzaam bij juridisch adviesbureau Kragten & Partner, en door O. de Jager, werkzaam bij de [naam gemeente].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam als medewerkster burgerzaken en onder andere belast met het beheer van de legeskas. Tot haar werkzaamheden behoorden het maandelijks opmaken van de kas en het afstorten van het geld bij de bank. Op 24 januari 2008 heeft de leidinggevende van appellante geconstateerd dat de legesgelden van oktober 2007 tot en met december 2007 niet bij de bank waren gestort. Nadat appellante daarmee was geconfronteerd en zij haar reactie daarop had gegeven, is zij geschorst en is een onderzoek uitgevoerd door het bureau Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V. (hierna: Deloitte). Naar aanleiding van het door Deloitte uitgebrachte rapport is appellante het voornemen meegedeeld om haar strafontslag te verlenen. Nadat appellante daarop haar zienswijze heeft gegeven, heeft het college haar met ingang van 1 juni 2008 onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellante wordt verweten dat zij niet heeft gezorgd voor een tijdige afdracht van legesgelden bij de bank. Het betreft een bedrag van ruim € 30.000,-. Voorts wordt appellante verweten dat zij, daarmee geconfronteerd, tegenstrijdige en wisselende verklaringen heeft afgelegd. Appellante heeft langere tijd een grote som aan de gemeente toebehorend kasgeld onder zich gehad, zonder dat duidelijk was waar dat geld zich bevond en voor welke doeleinden dat eventueel is aangewend. Op grond hiervan is het college van oordeel dat appellante zich niet integer, betrouwbaar en professioneel heeft gedragen, welk gedrag aangemerkt is als ernstig en toerekenbaar plichtsverzuim.

3.2. Appellante heeft erkend dat zij geen zorg heeft gedragen voor een tijdige afdracht van de legesgelden en dat zoiets slordig is. Appelante heeft echter eind januari 2008 alsnog een bedrag ter hoogte van de legesgelden bij de bank gestort, zodat de gemeente niet is benadeeld. Zij heeft gewezen op diverse persoonlijke omstandigheden die haar functioneren destijds bemoeilijkten en acht de straf buitenproportioneel.

3.3. Vast staat dat appellante niet heeft zorggedragen voor een tijdige afdracht van de in geding zijnde legesgelden, maar die onder zich heeft gehouden. Eerst nadat zij daarop is aangesproken, is het ontbrekende bedrag kort daarna alsnog gestort. Daargelaten of appellante nu wel of niet op de hoogte was of moest zijn van protocollen, geconstateerd moet worden dat zij daardoor niet heeft gehandeld zoals het een goed ambtenaar betaamt.

3.4. Voor het achterwege blijven van tijdige stortingen heeft appellante wisselende verklaringen afgelegd. Niet kan worden vastgesteld dat appellante aanvankelijk heeft verklaard dat zij wel tijdig stortingen had gedaan, nu zij dit ontkent, wel zeker is dat appellante op 25 januari 2008 heeft verklaard dat zij het geld mee naar huis had genomen en daar verstopt, waarna zij het niet meer kon terugvinden. Op 30 januari 2008 heeft appellante verklaard dat zij het geld op zolder had teruggevonden en op 27 januari 2008 alsnog had gestort. Nadat door Deloitte was geconstateerd dat de gestorte gelden niet (alle) uit de legeskas afkomstig konden zijn, omdat het uitsluitend biljetten van € 50,- betrof, heeft appellante verklaard dat zij het geld toch niet heeft teruggevonden, maar uit haar eigen middelen het bedrag van ruim € 30.000,- had voldaan. De Raad is met het college van oordeel dat appellante door deze en andere verklaringen een beeld heeft opgeroepen van niet betrouwbaarheid, dat zij nadien niet heeft kunnen wegnemen. Daarbij heeft de Raad niet alleen het oog op de tegenstrijdigheid van de verklaringen maar ook op de ongeloofwaardigheid ervan.

3.5. Dat het door Deloitte uitgevoerde onderzoek niet deugdelijk zou zijn en daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen worden gelegd, heeft appellante wel gesuggereerd, maar in geen enkel opzicht aannemelijk weten te maken. De Raad gaat aan die stelling van appellante dan ook voorbij.

3.6. Dat appellante handelde onder invloed van moeilijke persoonlijke omstandigheden en lijdt aan ADHD wil de Raad wel aannemen - appellante heeft daarover ter zitting desgevraagd nader verklaard - maar de Raad acht dat niet voldoende voor de vaststelling dat appellante haar gedrag in het geheel niet kan worden toegerekend. De Raad is dan ook van oordeel dat het college het gedrag van appellante terecht heeft aangemerkt als toerekenbaar ernstig plichtsverzuim, waarvoor bestraffing op zijn plaats was.

3.7. De straf van onvoorwaardelijk ontslag acht de Raad gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim niet onevenredig. Het college moet bij het beheer van de legeskas kunnen vertrouwen op de integriteit van de daarmee belaste werknemers. Appellante heeft dat vertrouwen in hoge mate beschaamd. Dat de controle op haar functioneren mogelijk strenger had kunnen zijn, zoals door haar betoogd, doet niet af aan haar eigen verantwoordelijkheid. Het zeer langdurig dienstverband dat zij had bij de gemeente, kan daarom niet zoveel gewicht in de schaal leggen als appellante graag zou zien. Haar persoonlijke omstandigheden kunnen dat evenmin.

4. Het hoger beroep van appellante kan dus niet slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD