Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
09-1894 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om functieonderhoud. Vaststelling definitieve functiebeschrijving. Bij (een verzoek om) functieonderhoud gaat het om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Een slechts terughoudende toetsing is niet op haar plaats. Die beantwoording moet zich immers richten op de vaststelling van feiten. Een terughoudende toetsing geldt echter wel bij de beoordeling van een organieke functiebeschrijving als bij bestreden besluit 2 aan de orde. Naar appellant onweersproken heeft gesteld waren zijn taken in 2005 geen andere dan in 2006. Nu de contacten met de AIVD een zeer wezenlijk onderdeel uitmaken van de appellant opgedragen taken had dit in de functiebeschrijving van 2005 op dezelfde wijze als in die van 2006 tot uitdrukking moeten worden gebracht. Nu dit niet is gebeurd dient bestreden besluit 1 voor dit deel te worden vernietigd. De Raad voorziet zelf in de zaak. De Raad is niet gebleken dat de taken van appellant in de functiebeschrijving onjuist of onvolledig zijn weergegeven. Het organiseren van werkoverleg binnen de eenheid is uitdrukkelijk tot een taak van het hoofd van het bureau gemaakt. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit tot de taak van (ook) appellant moet worden gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1894 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2009, 07/3644 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam politieregio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 25 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Overdam, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 1 oktober 2002 is appellant in het kader van een reorganisatie geplaatst als bewerker Veiligheidsonderzoek bij het bureau Veiligheidsonderzoeken van de politieregio [naam politieregio], onder de mededeling dat de definitieve organisatorische inbedding later zal plaatsvinden.

1.2. Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft de korpsbeheerder een verzoek van appellant om functieonderhoud afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft de korpsbeheerder naar aanleiding van het verzoek van appellant om functieonderhoud alsnog een aantal taken aan de beschrijving van de functie bewerker Veiligheidsonderzoeken toegevoegd en taken in deze beschrijving gewijzigd; voorts is de naam van de functie gewijzigd in chef bureau Veiligheidsonderzoeken/ bewerker. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 september 2006 heeft de korpsbeheerder de beschrijving van de functie chef bureau Veiligheidsonderzoeken vastgesteld, in welke functie appellant bij de reorganisatie definitief is geplaatst. Van deze functiebeschrijving maken een takenmatrix bureau Veiligheidsonderzoeken en een takenmatrix leidinggevende functies (hierna: matrix LGF) deel uit. Tegen dit besluit heeft appellant eveneens bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 juni 2007 heeft de korpsbeheerder het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2006 voor zover dit de functie-eisen en de niveaubepalende elementen betreft, niet-ontvankelijk verklaard en het overige bezwaar tegen dit besluit alsmede de bezwaren tegen de besluiten van 17 augustus 2004 en 13 juli 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 28 juni 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, in zoverre daarbij is beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 17 augustus 2004 en 13 juli 2005. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Bepaald is dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 28 juni 2007 in stand blijven. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het besluit van 13 juli 2005 moet worden aangemerkt als een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2004. Blijkens haar overwegingen zag de rechtbank zich vervolgens gesteld voor een beoordeling van de besluiten van 13 juli 2005 en 28 juni 2007. De rechtbank heeft zich op het standpunt gesteld dat het zowel bij het functieonderhoud als bij de functiebeschrijving van 5 september 2006 gaat om een organieke functie. Hieraan heeft de rechtbank de conclusie verbonden dat de toetsing bij beide beoordelingen met terughoudendheid moet plaatsvinden.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank het besluit van 13 juli 2005 terecht heeft opgevat als een beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2004. Dit is hier ook niet in geschil. Terecht is de rechtbank er dan ook met zoveel woorden van uitgegaan dat bij haar niet alleen een beroep voorlag tegen het besluit van

28 juni 2007 (definitieve functiebeschrijving; hierna: bestreden besluit 2) maar ook een beroep tegen het besluit van 13 juli 2005 (functieonderhoud; hierna: bestreden besluit 1).

3.2. De Raad overweegt voorts dat het bij (een verzoek om) functieonderhoud gaat om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij de beantwoording van deze vraag een slechts terughoudende toetsing niet op haar plaats is. Die beantwoording moet zich immers richten op de vaststelling van feiten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 juni 2005, LJN AT9173 en TAR 2006, 8 en CRvB 3 januari 2008, LJN BC1682) geldt een terughouden-de toetsing echter wel bij de beoordeling van een organieke functiebeschrijving als bij bestreden besluit 2 aan de orde. Reeds gezien dit verschil in toetsing is de Raad van oordeel dat de beide bestreden besluiten aan een afzonderlijke toetsing moeten worden onderworpen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan.

3.3. Bestreden besluit 1

3.3.1. Appellant heeft erop gewezen dat in de functiebeschrijving van 2002 (toen nog met de naam: bewerker veiligheidsonderzoek) is opgenomen: “initiëren en formuleren van beleidsvoorstellen m.b.t. aanwijzing van vertrouwensfuncties en de procedure van het veiligheidsonderzoek.” In de bij bestreden besluit 1 gevoegde aangepaste functie-beschrijving komen dergelijke taken echter niet meer voor, hetgeen appellant onjuist acht. De Raad overweegt op dit punt dat appellant naast leidinggevende voornamelijk uit-voerende taken verrichtte (en verricht) en in elk geval geen beleidsambtenaar is. De voormelde taken in de functiebeschrijving van 2002 komen dan ook, naar de Raad moet aannemen, niet geheel met de werkelijke taken van appellant overeen. De taakvermelding in de aangepaste functiebeschrijving van 2005, inhoudende: “Signaleren van ontwik-kelingen en knelpunten en het aangeven van mogelijke oplossingen” doet naar het oordeel van de Raad voldoende recht aan de (beperkte) taken van appellant op het gebied van beleid. Daarbij merkt hij op dat appellant zelf in een brief van 11 januari 2006 heeft gesteld dat hij geen beleid ontwikkelt maar wel advies geeft over beleidsontwikkeling.

3.3.2. Appellant heeft verder aangevoerd dat overleg met de AIVD een zeer belangrijk en wezenlijk deel van zijn werkzaamheden bestrijkt en dus ten onrechte in de functie-beschrijving van 2005 ontbreekt. De korpsbeheerder heeft erop gewezen dat dit overleg is te begrijpen onder “Onderhouden van interne en externe contacten.”, zoals opgenomen in die functiebeschrijving. De Raad acht van belang dat in de functiebeschrijving van 5 september 2006 is opgenomen: “Intensief contact met de AIVD over operationele afstemming en afstemming werkwijze”. Naar appellant onweersproken heeft gesteld waren zijn taken in 2005 geen andere dan in 2006. Nu de contacten met de AIVD een zeer wezenlijk onderdeel uitmaken van de appellant opgedragen taken had dit in de functie-beschrijving van 2005 op dezelfde wijze als in die van 2006 tot uitdrukking moeten worden gebracht. Nu dit niet is gebeurd dient bestreden besluit 1 voor dit deel te worden vernietigd. De Raad ziet grond om hier met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. Ook de aangevallen uitspraak moet op dit onderdeel worden vernietigd.

3.3.3. Volgens appellant had ook “het organiseren van werkoverleg” in de functie-beschrijving moeten worden opgenomen. Dienaangaande overweegt de Raad dat “voeren werkoverleg” wel in de functiebeschrijving voorkomt. Het organiseren van werkoverleg is kennelijk een taak van het hoofd van het bureau Veiligheidsonderzoeken. Deze is tevens hoofd van de Regionale Inlichtingendienst. Appellant heeft de rol van dit hoofd bij genoemd bureau sterk gerelativeerd en gesteld dat hij zelf zijn taken met grote zelfstan-digheid uitvoert. Wat hier ook precies van zij, vastgesteld moet worden dat de eindverant-woordelijkheid voor het bureau ligt bij het hoofd. Vandaar dat hij de zorg heeft voor het organiseren van werkoverleg. Die eindverantwoordelijkheid betreft ook de werkzaam-heden van appellant ten aanzien van het verstrekken van verklaringen van geen bezwaar naar aanleiding van persoonsonderzoeken, die door het hoofd worden ondertekend. Ook op dit punt is de Raad niet gebleken dat de taken van appellant in de functiebeschrijving onjuist of onvolledig zijn weergegeven.

3.3.4. Ten slotte is de Raad niet gebleken dat het aantal medewerkers waaraan appellant leiding geeft in de functiebeschrijving behoorde te worden opgenomen. Dit aantal is mogelijk wel van betekenis bij de functiewaardering.

3.3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep betreffende bestreden besluit 1 alleen slaagt waar het gaat om het onder 3.3.2 besproken gedeelte.

3.4. Bestreden besluit 2

3.4.1. In de bij de functiebeschrijving van 5 september 2006 behorende matrix LGV is vermeld: “Leveren bijdrage aan ontwikkeling van beleid”. Zeker gezien de terughoudende toetsing die hier dient te worden gehanteerd, kan de Raad in het licht van zijn onder 3.3.1 opgenomen overwegingen niet meegaan met de bezwaren van appellant tegen deze omschrijving.

3.4.2. Het organiseren van werkoverleg binnen de eenheid is uitdrukkelijk tot een taak van het hoofd van het bureau gemaakt. Gelet op hetgeen onder 3.3.3 is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat dit tot de taak van (ook) appellant moet worden gerekend.

3.4.3. Dit brengt mee dat het hoger beroep betreffende bestreden besluit 2 niet slaagt.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten voor rechtsbijstand van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van €1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij bestreden besluit 1 op het onder 3.3.2 besproken onderdeel in stand is gelaten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond en vernietigt dit besluit voor dit deel;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

Voegt in de functiebeschrijving van chef bureau Veiligheidsonderzoeken/bewerker van 13 juli 2005 onder de rubriek contacten toe: intensief contact met de AIVD over operationele afstemming en afstemming werkwijze;

Bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van bestreden

besluit 1;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 366,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD