Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
09-1712 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit? De in geding zijnde bijstelling re-integratievisie dient te worden aangemerkt als een appellabel besluit in de zin van de Awb. Het procesbelang van appellant is komen te vervallen, nu appellant met medewerking van het Uwv is gaan werken als leerling-timmerman bij een andere werkgever en nu in de loop van de procedure in eerste aanleg duidelijk is geworden dat het Uwv geen aanleiding heeft gezien appellant een maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder i, in samenhang met artikel 37 van de Wet arbeidsvoorziening jonggehandicapten ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting uit de re-integratievisie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/132
USZ 2010/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1712 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 februari 2009, 08/780

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010, waar appellant niet is verschenen en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 24 juli 2007 heeft het Uwv appellant een bijstelling re-integratievisie van 23 juli 2007 toegezonden. De bijstelling houdt in dat (opnieuw) wordt overgegaan tot de inkoop van een gesubsidieerd dienstverband bij [naam bedrijf A] voor 36 uur per week in verband met de voor appellant bestaande mogelijkheid om vanaf 6 augustus 2007 op uitleenbasis geplaatst te worden bij [naam bedrijf B] te [vestigingsplaats]. Tegen deze bijstelling re-integratievisie heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2. Appellant heeft in de bezwarenprocedure gesteld dat hij niet per 6 augustus 2007 bij [naam bedrijf B] is gaan werken, omdat na een gesprek in juli 2007 met [naam bedrijf B] bleek dat de werkzaamheden aldaar en het moeten tekenen van een concurrentiebeding zodanig veel stress veroorzaakten dat de kans op uitval te groot was; appellant heeft de geschiktheid van de functie bij [naam bedrijf B] bestreden. Appellant wil verder niet worden geconfronteerd met een mogelijke schadeclaim van [naam bedrijf B] in verband met door [naam bedrijf B] bij opdrachtgevers gemiste werkzaamheden. Bij besluit van 2 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Tegen het besluit van 2 april 2008, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat de in geding zijnde bijstelling re-integratievisie dient te worden aangemerkt als een appellabel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het beroep echter niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

3.1. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft hij gesteld dat hij wel procesbelang heeft. Hij heeft verder aangevoerd dat in de bijgestelde re-integratievisie geen rekening is gehouden met zijn wensen, dat er ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden en dat ten onrechte is aangegeven dat hij op

6 augustus 2007 kan gaan starten bij [naam bedrijf B].

3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank over het besluitkarakter van de onderhavige bijstelling re-integratievisie.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep niet heeft onderbouwd waarom hij het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van procesbelang onjuist acht. De Raad is van oordeel dat nu appellant per 18 september 2007 met medewerking van het Uwv is gaan werken als leerling-timmerman bij een andere werkgever en nu in de loop van de procedure in eerste aanleg duidelijk is geworden dat het Uwv geen aanleiding heeft gezien appellant een maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder i, in samenhang met artikel 37 van de Wet arbeidsvoorziening jonggehandicapten ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting uit de re-integratievisie het procesbelang van appellant is komen te vervallen. Voor zover appellant zijn stelling heeft willen handhaven dat zijn procesbelang ligt in een mogelijke schadeclaim van [naam bedrijf B] deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het hier gaat om een dusdanig onzekere toekomstige gebeurtenis dat hierin geen belang kan worden gezien voor de ontvankelijkheid van het beroep.

4.3. Uit 4.1 en 4.2. volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.

KR