Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
08-5821 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% met ingang van 16 mei 2007 en de betaling als ware appellante 15 tot 25% arbeidsongeschikt gehandhaafd. Appellante heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat zij bij de aanvaarding van de werkzaamheden als verkoopster boekwinkel een zogenoemde medische afzakker was en een werktijd van meer dan doorgaans 34 uur per week zou zijn overeengekomen als zij toen geen therapeutische behandeling had hoeven ondergaan. Het komt de Raad niet aannemelijk voor dat de behandeling toentertijd de omvang van de arbeidsovereenkomst heeft bepaald. In de rapportage van de arbeidsdeskundige H. Oerlemans van 3 september 2003 zijn openingstijden van de boekwinkel vermeld die het mogelijk maken dat ook een voltijds werkende verkoper volgens rooster eenmaal per week een vrije dag (of eventueel tweemaal per week een halve dag) heeft die met behandelafspraken kan worden ingevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5821 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2008, 07/4354 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft D.K. Bos, werkzaam bij Administratiekantoor DekaBos te Waal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer gevoerd.

Bij brief van 4 januari 2010 heeft appellante nadere stukken ingediend, waarop het Uwv bij brief van 11 januari 2010 heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Namens het Uwv verscheen mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep is gericht tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 19 november 2007 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Hierbij heeft het Uwv, voor zover in deze procedure van belang, zijn besluiten van 30 mei 2007 gehandhaafd. Bij het eerste besluit van 30 mei 2007 is bepaald dat de WAO-uitkering van appellante, bij een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 1 februari 2007 met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt betaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij het tweede besluit van 30 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% met ingang van

16 mei 2007 en de betaling als ware appellante 15 tot 25% arbeidsongeschikt gehandhaafd.

2. In beroep heeft appellante uitsluitend de omvang van de maatman ter discussie gesteld. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv op goede gronden de functie van verkoopster boekwinkel gedurende 34 uur per week als maatmanarbeid heeft aangemerkt. Zij heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar in beroep naar voren gebrachte stellingen herhaald. Zij heeft aangevoerd dat niet langer de verkoopster boekwinkel haar maatman is maar de onderwijsassistente/leerlingenbegeleidster, in welke functie zij gedurende

24 uur per week functioneert. Zij heeft, voor het geval geen wijziging van de maatman wordt aangenomen, betoogd dat zij als verkoopster boekwinkel meer dan 34 uur per week heeft gewerkt en dat zij bovendien een zogeheten medische afzakker was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat een wijziging van de maatman niet aan de orde is als het loon in de met de verkregen nieuwe bekwaamheden uit te oefenen functie niet op eenzelfde of hoger niveau ligt dan het loon in het vroeger uitgeoefende beroep. Niet ter discussie staat dat appellante met haar werk als onderwijsassistente/leerlingenbegeleidster gedurende 24 uur per week minder inkomen verwerft dan zij in haar vroegere werkzaamheden als verkoopster boekwinkel met ten minste 34 uur per week genoot. Daarom is een wijziging van de maatman ten onrechte voorgesteld. Anders dan appellante lijkt te veronderstellen is in het kader van de beoordeling van een wijziging van de maatman niet van belang dat appellante op medische gronden niet langer in staat wordt geacht om 34 uur per week te werken.

4.2. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad erkend dat appellante als verkoopster boekwinkel een gemiddelde werktijd had van 34,67 uur per week. De bezwaararbeidsdeskundige P. ten Have heeft in zijn rapportage van 2 november 2004 vermeld dat appellante uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst gehouden was in de maanden november en december 38 uur per week te werken. Herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met een factor van 24,00/34,67 en de door de arbeidsdeskundige G.F.D. Korver in zijn rapportage van 25 mei 2007 vermelde lonen leidt evenwel niet tot andere arbeidsongeschiktheidsklassen dan het Uwv in de besluiten van 30 mei 2007 heeft vastgelegd.

4.3. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat zij, als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, als verkoopster boekwinkel een werkweek van 38 uur zou hebben gehad. Appellante heeft in een formulier, dat zij invulde op 5 februari 2002 voorafgaande aan de toekenning van de WAO-uitkering, vermeld dat zij 34 uur per week gewerkt had. Deze opgave is in overeenstemming met de urenomvang die voor appellante gold ten tijde van haar uitval op 19 maart 2001. Van een contractuele wijziging van de arbeidstijd in die zin dat de arbeidstijd na de maanden november en december 2001 op 38 uur per week werd gesteld, is de Raad niet gebleken.

4.4. Appellante heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat zij bij de aanvaarding van de werkzaamheden als verkoopster boekwinkel een zogenoemde medische afzakker was en een werktijd van meer dan doorgaans 34 uur per week zou zijn overeengekomen als zij toen geen therapeutische behandeling had hoeven ondergaan. Het komt de Raad niet aannemelijk voor dat de behandeling toentertijd de omvang van de arbeidsovereenkomst heeft bepaald. In de rapportage van de arbeidsdeskundige H. Oerlemans van 3 september 2003 zijn openingstijden van de boekwinkel vermeld die het mogelijk maken dat ook een voltijds werkende verkoper volgens rooster eenmaal per week een vrije dag (of eventueel tweemaal per week een halve dag) heeft die met behandelafspraken kan worden ingevuld.

4.5. De beroepsgronden slagen niet en de Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen reden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM