Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
09-1411 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Toekenning Wajong-uitkering met terugwerkende kracht van één jaar voor de datum van de aanvraag, per 16 oktober 2006. Medische problematiek en beperkte intellectuele vermogens. Geen sprake van bijzonder geval. 2) Beëindiging toegekende Wajong-uitkering en uit een oogpunt van zorgvuldigheid gebeurt dit per 5 augustus 2008. Een toelating tot de doelgroep in het kader van de Wsw heeft geen rechtstreekse betekenis voor de vraag of aanspraak bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eigen opvatting van een betrokkene over de ervaren beperkingen is niet doorslaggevend. Bepalend is of er op medische gronden en naar objectieve maatstaven gemeten sprake is van arbeidsongeschiktheid. Schattingsbesluit. Voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1411 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 januari 2009, 08/526

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.M. ter Avest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010 waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [in] 1965, heeft op 16 oktober 2006 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Appellante heeft daarin vermeld dat zij arbeidsongeschikt is vanwege een lichte verstandelijke beperking, een depressie en een angststoornis.

1.2. Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft het Uwv geweigerd appellante ingaande 13 april 1983 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op en na die datum minder is dan 25%. Dit besluit is gebaseerd op het standpunt van het Uwv dat appellante reeds vóór en op de dag waarop zij 17 jaar is geworden, te weten 13 april 1982, vanwege een lichte verstandelijke handicap beperkt is in haar belastbaarheid en nadien ongewijzigd beperkt is gebleven, maar zij hiermee niettemin duurzaam arbeid kan verrichten. Het Uwv heeft op grond van een theoretische schatting vastgesteld dat er geen verlies aan verdiencapaciteit resteerde voor appellante.

2.1. Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 15 augustus 2007, heeft het Uwv haar bij brief van 22 oktober 2007 in kennis gesteld van het voornemen om dat besluit te herzien. Het Uwv heeft daartoe reden gezien, omdat uit nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek was gebleken dat de voor appellante vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op enkele items aangepast diende te worden en de arbeidsdeskundige blijkens zijn rapport van 10 oktober 2007 van mening was op basis van de in de aangepaste FML van 4 oktober 2007 beschreven belastbaarheid geen functies te kunnen duiden.

2.2. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 9 januari 2008 (hierna: bestreden besluit I) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 augustus 2007 gegrond verklaard. Bepaald is daarbij dat appellante met terugwerkende kracht van één jaar voor de datum van de aanvraag in aanmerking wordt gebracht voor een Wajong-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, te weten met ingang van 16 oktober 2006.

3.1. In beroep heeft het Uwv een gewijzigd besluit op bezwaar van 4 juni 2008 (hierna: bestreden besluit II) genomen. Dit besluit berust op het (nader) standpunt van het Uwv dat - uitgaande van de belastbaarheid van appellante zoals vastgesteld in de FML van 4 oktober 2007 - op grond van de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog van 19 maart 2008 (toch) aangenomen moet worden dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en na 13 april 1983 op grond van een theoretische schatting minder dan 25% bedraagt. Het Uwv heeft hieruit afgeleid dat aan appellante ingaande 16 oktober 2005 ten onrechte een Wajong-uitkering is toegekend en dat deze uitkering dient te worden beëindigd. Bij bestreden besluit II heeft het Uwv bestreden besluit I herroepen en het door appellante tegen het besluit van 15 augustus 2007 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Voorts heeft het Uwv bij bestreden besluit II bepaald dat de ingaande 16 oktober 2005 aan appellante toegekende Wajong-uitkering wordt beëindigd en dat dit uit een oogpunt van zorgvuldigheid eerst gebeurt per 5 augustus 2008.

3.2.1. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II.

3.2.2. Verder heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit I wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk is.

3.2.3. Met betrekking tot bestreden besluit II heeft de rechtbank geoordeeld dat dit besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe gesteld dat de rechtbank haar beroep tegen bestreden besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank had naar de mening van appellante bestreden besluit II dienen te vernietigen en bestreden besluit I op zijn merites moeten beoordelen. Voorts had de rechtbank naar de mening van appellante in de aangevallen uitspraak doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan het feit dat zij is toegelaten tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Hieruit blijkt naar de mening van appellante dat zij niet kan werken in het vrije bedrijf.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Bestreden besluit I.

5.1.1. De Raad heeft de gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd aldus opgevat dat zij van mening is procesbelang bij een beoordeling van bestreden besluit I te hebben behouden. Volgens appellante had de toekenning van de Wajong-uitkering moeten plaatsvinden met ingang van een eerdere datum dan 16 oktober 2005, omdat er sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong.

5.1.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante, gelet op het feit dat het resultaat dat zij met haar beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt, een procesbelang niet kan worden ontzegd. Het beroep van appellante voor zover dat gericht is tegen bestreden besluit I is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre kan de aangevallen uitspraak dan ook niet in stand blijven.

5.1.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen ziet de Raad zich thans gesteld voor de vraag of bij het bestreden besluit I terecht is aangenomen dat artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong niet kan worden toegepast, omdat er geen sprake is van een bijzonder geval.

5.1.4. Op grond van artikel 29, tweede lid, van Wajong kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

5.1.5. Appellante heeft in verband met haar beroep op artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong, gewezen op de medische problematiek en haar beperkte intellectuele vermogens. Zij heeft aangevoerd dat het Uwv haar op meerdere momenten in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft beoordeeld (in 1991, 1999, 2001, 2002 en 2003) en toen niet heeft onderkend dat er bij haar sprake was van een verstandelijke handicap. De besluiten van destijds waren naar de mening van appellante onjuist en er had haar - bij correct onderzoek - veel eerder een uitkering verleend kunnen zijn in verband met haar handicap. Appellante heeft voorts gesteld dat zij een financieel belang heeft, omdat haar partnerpensioen en halfwezenpensioen voor haar kinderen wordt ingehouden op haar bijstandsuitkering, terwijl van inhouding geen sprake zou zijn indien zij een Wajong-uitkering ontving.

5.1.6. De Raad volgt het Uwv in zijn oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong. De bezwaarverzekeringsarts onderkent dat appellante aantoonbare beperkingen heeft op grond van haar medische problematiek en beperkte intellectuele vermogens. De bezwaarverzekeringsarts stelt zich echter tevens op het standpunt dat appellante de mogelijkheden en de sociale omstandigheden had om een beroep te doen op derden om haar belangen te behartigen. Dat niet eerder een aanvraag voor een Wajong-uitkering werd gedaan, is naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts niet gelegen in medische problematiek. De Raad heeft geen aanknopingspunt dit standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. Uit het dossier blijkt dat appellante in het verleden regelmatig hulp heeft gehad van derden (zoals haar vriend, haar zus en haar ex-werkgever) bij het waarnemen van haar belangen. Ook uit het verslag van de hoorzitting kan worden afgeleid dat haar zus haar - op verzoek - bijstond. De Raad acht het dan ook aannemelijk dat appellante voor het indienen van een aanvraag als de onderhavige, zo nodig, hulp had kunnen vragen en wijst in dit verband naar zijn jurisprudentie zoals die onder andere blijkt uit LJN AY3111 en BK0545. Met betrekking tot de grief van appellante dat medische onderzoeken in het kader van de eerdere WAO-beoordelingen ondeugdelijk waren, heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat het Uwv en zijn voorgangers wellicht enigszins in gebreke zijn gebleven, er waren bij de verzekeringsartsen redenen om beperkingen aan te nemen, maar dat dit niet onbegrijpelijk is gelet op de omstandigheid dat appellante geruime tijd in arbeid heeft gefunctioneerd. De geclaimde spanningsklachten werden destijds gerelateerd aan een echtscheiding. Met betrekking tot het gestelde financieel belang is de Raad van oordeel dat dit geen relevante factor is bij de bepaling of sprake is van een bijzonder geval (zie onder meer LJN AV6749).

5.1.7. De Raad is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de Wajong-uitkering eerst per 16 oktober 2005 kon ingaan. Het beroep van appellante komt dan ook wat bestreden besluit I betreft voor ongegrondverklaring in aanmerking.

5.2. Bestreden besluit II.

5.2.1. Uit hetgeen appellante in dit verband naar voren heeft gebracht leidt de Raad af dat naar haar mening de rechtbank ten onrechte haar beroep tegen bestreden besluit I op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht heeft mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II.

5.2.2. Naar het oordeel van de Raad is bestreden besluit II te zien als een wijziging van bestreden besluit I en aldus een besluit in de zin van het tweede lid van artikel 6:18 van de Awb. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft de rechtbank dan ook terecht bestreden besluit II in haar beoordeling betrokken. Het beroep dat appellante heeft gedaan op het verbod, neergelegd in artikel 6:18, derde lid, van de Awb treft geen doel, nu in bestreden besluit II de Wajong-uitkering van appellante per een toekomende datum wordt ingetrokken.

Medische grondslag.

5.2.3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit dat zij is toegelaten tot de doelgroep van de Wsw niet per definitie betekent dat zij niet geschikt is voor het vrije bedrijf. De Raad neemt daarbij aan dat appellante met deze grief tevens heeft bedoeld te stellen dat het Uwv in de FML de voor haar vastgestelde belastbaarheid wat dit aangaat onjuist heeft vastgesteld.

5.2.4. Conform vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer LJN AZ0958) heeft een toelating tot de doelgroep in het kader van de Wsw geen rechtstreekse betekenis voor de vraag of aanspraak bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit belet niet dat die gegevens wel enige betekenis kunnen hebben. De Raad stelt vast dat uit de door appellante overgelegde stukken niet blijkt dat het CWI wat de belastbaarheid van appellante betreft een significant ander standpunt inneemt dan de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen. Appellante heeft ook niet anderszins aan de hand van concrete gegevens aangetoond dat de voor haar vastgestelde belastbaarheid onjuist is. Niet is aannemelijk geworden dat appellante op en na 13 april 1983 alleen zou kunnen werken in een veilige, beschermde omgeving, met intensieve begeleiding. Aan het feit dat de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 10 oktober 2007 zonder nader onderzoek en in afwijking van de eerdere bevindingen van de verzekeringsartsen, heeft gesteld dat appellante is aangewezen op een beschermde werkomgeving, kan gelet op de beschikbare gegevens in dit geval geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. De bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog motiveert in zijn rapporten van 19 maart 2008 en 8 april 2009 naar het oordeel van de Raad afdoende waarom de Wsw-indicatie van appellante geen aanleiding geeft een ander standpunt in te nemen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de overige - in hoger beroep herhaalde - gronden van appellante op een juiste wijze besproken en op een juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de desbetreffende overwegingen van de rechtbank. Voorts constateert de Raad dat het Uwv terecht in zijn overwegingen ook heeft betrokken dat appellante blijkens haar arbeidsverleden langdurig heeft kunnen werken in het reguliere bedrijfsleven bij verschillende werkgevers in functies als schoonmaakster en cateringmedewerkster. Niet is aan de hand van concrete gegevens gebleken dat appellante deze werkzaamheden slechts heeft kunnen verrichten met intensieve, het normale arbeidspatroon te buiten gaande, begeleiding.

5.2.5. De Raad begrijpt dat appellante zelf verdergaande beperkingen ervaart dan waarvan het Uwv uitgaat, zoals zij ter zitting nog heeft benadrukt. Bij een beoordeling van de aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is echter de eigen opvatting van een betrokkene over de ervaren beperkingen niet doorslaggevend. Bepalend is of er op medische gronden en naar objectieve maatstaven gemeten sprake is van (een bepaalde mate van) arbeidsongeschiktheid.

Arbeidskundige grondslag.

5.2.6. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald aan de hand van de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals die luiden vanaf 1 oktober 2004. Gelet op de leeftijd van appellante, de datum van de aanvraag en de ingangsdatum van de uitkering is dat niet onjuist. De Raad verwijst hiervoor naar zijn jurisprudentie, onder andere LJN BD1411, BJ1610 en AS8451.

5.2.7. De Raad is van oordeel dat de rechtbank ook de gronden van appellante die zien op de geschiktheid van de geduide functies afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit punt en maakt deze tot de zijne, met dien verstande dat appellante per datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt is in de zin van de AAW. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 19 maart 2008 een toereikende toelichting gegeven waarom de geduide functies passend zijn te achten. In deze rapportage vermeldt de bezwaararbeidsdeskundige, herhaald in zijn rapport van 8 april 2009, dat appellante niet per definitie is aangewezen op werkzaamheden die slechts in Wsw- omstandigheden uitgevoerd kunnen worden. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige - na overleg met de bezwaarverzekeringsarts - voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat.

5.2.8. Gelet op hetgeen is overwogen bij 5.2.6 en 5.2.7. is de Raad tot het oordeel gekomen dat de appellante voorgehouden functies, die in de aangevallen uitspraak zijn genoemd, terecht en op goede gronden door het Uwv geschikt zijn geacht voor appellante.

5.3. Het Uwv heeft uitgaande van het vorenstaande de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en na 13 april 1983 terecht minder dan 25% geacht. De Raad ziet geen reden wat bestreden besluit II betreft tot een ander oordeel te komen dan gegeven in de aangevallen uitspraak, zodat deze op dat onderdeel voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht zich op basis van de thans voorhanden informatie voldoende voorgelicht en stelt vast dat appellante in beroep en in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest ten aanzien van bestreden besluit II haar standpunt te bepalen en gronden aan te voeren. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding het onderzoek te heropenen om alsnog - zoals appellante ter zitting heeft verzocht – de aan Re-On B.V. verbonden arbeidsdeskundige A.M.J. Christianen nadere informatie te laten verstrekken. De bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog heeft in zijn rapport van 4 januari 2010 terecht aangegeven dat hier de datum 13 april 1983 van belang is en niet de actuele situatie zoals die werd waargenomen door de arbeidsdeskundige Christianen.

5.4. Wat de ter zitting van de Raad aangevoerde stelling van appellante betreft dat haar zus wel een Wajong-uitkering heeft gekregen, merkt de Raad op dat deze stelling niet eerder naar voren is gebracht en dat deze niet met nadere gegevens is onderbouwd. Voor zover met die stelling is beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel verwerpt de Raad deze stelling reeds omdat van de zijde van appellante niet is aangetoond dat hier sprake is van een gelijk geval.

6. De Raad acht voorts termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in beroep (€ 644,--) en in hoger beroep (€ 644,--) tot een bedrag van in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep van appellante, gericht tegen het besluit van 9 januari 2008 niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 januari 2008 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal (€ 39,-- + € 107,--) € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.

KR