Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
09-1755 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het rapport van Lam geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan het licht brengt. Nu de aangevallen uitspraak ervan uitgaat dat sprake is van nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden kan deze niet in stand blijven en moet zij worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen stelt de Raad vast dat appellant bevoegd was met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, het verzoek van betrokkene af te wijzen en voor de motivering van dat besluit te verwijzen naar het besluit van 29 mei 1996. De Raad ziet geen reden om te oordelen dat appellant niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins gehandeld zou hebben in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1755 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2009, 07/2755

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sovka. Betrokkene is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 mei 1996 heeft appellant betrokkene niet langer arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en diens uitkering met ingang van 1 augustus 1996 ingetrokken. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Betrokkene heeft appellant bij brief van 23 februari 2007 verzocht terug te komen van het besluit van 29 mei 1996. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat de intrekking van zijn uitkering destijds onterecht is geweest, omdat hij ook toen al (mede) op psychische gronden arbeidsongeschikt was, heeft hij een rapport van 21 maart 2006 overgelegd van psychiater D. Lam, verbonden aan AMC De Meren te Amsterdam.

1.3. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft appellant afwijzend beslist op het verzoek van betrokkene van 23 februari 2007. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt, waarbij hij een brief van 5 februari 2006 van zijn behandelend psychiater R.W.F.M. van Ewijk heeft overgelegd.

2. Bij besluit van 3 september 2007 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond verklaard onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden teruggekomen van het eerder ingenomen standpunt.

3.1. Tegen het besluit van 3 september 2007, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond is verklaard (hierna: het bestreden besluit), heeft betrokkene beroep bij de rechtbank ingesteld.

3.2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van het in haar uitspraak overwogene en zij heeft een beslissing gegeven omtrent het griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het rapport van psychiater Van Ewijk geen nieuwe feiten of omstandigheden. Naar haar oordeel bevat het rapport van psychiater Lam wel nieuwe medische gegevens in de vorm van door hem vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek. Volgens de rechtbank kan niet op voorhand worden uitgesloten dat deze nieuwe medische gegevens van invloed zijn op betrokkenes belastbaarheid op 1 augustus 1996. De rechtbank is van oordeel dat appellant deze nieuwe feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken.

4.1. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en stelt zich, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 26 maart 2009 en 9 juni 2009, op het standpunt dat in het rapport van Lam geen nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden worden genoemd. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene terdege bekend was en is betrokken in de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene heeft appellant nog medische en arbeidskundige rapportages overgelegd over de periode van 1989 tot 1996.

4.2. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in 1995 is wel kennis genomen van zijn psychische klachten en de behandeling bij het RIAGG, maar realiter zijn deze gegevens niet bij de beoordeling betrokken. Uit het thans overgelegde rapport van psychiater Lam blijkt dat er destijds wel degelijk een ernstige situatie aan de orde was.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

5.2. Anders dan de rechtbank is Raad van oordeel dat het rapport van Lam geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan het licht brengt. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 26 maart 2009 opmerkt, zijn de klachten die door psychiater Lam worden genoemd terug te vinden in de verschillende rapportages en aantekeningen van verzekeringsartsen vanaf 1990, waaronder de rapportages van 16 mei 1990, 4 april 1991, 10 juni 1993 en 7 februari 1994. De omstandigheid dat deze klachten volgens Lam te verklaren zijn in het kader van sterk disfunctionele persoonlijkheidstrekken is een aanpassing of verfijning van de door de verzekeringsartsen vastgestelde diagnose - een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling - maar geen nieuw feit of veranderde omstandigheid. Uit het rapport van Lam komt voorts niet naar voren dat betrokkene per 1 augustus 1996 meer arbeidsbeperkingen zou hebben dan door appellant is aangenomen, omdat Lam over de mate van de klachten en beperkingen in de periode 1995-1996 geen uitspraak doet.

5.3. Nu de aangevallen uitspraak ervan uitgaat dat sprake is van nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden kan deze niet in stand blijven en moet zij worden vernietigd.

5.4. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen stelt de Raad vast dat appellant bevoegd was met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, het verzoek van betrokkene af te wijzen en voor de motivering van dat besluit te verwijzen naar het besluit van 29 mei 1996. De Raad ziet geen reden om te oordelen dat appellant niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins gehandeld zou hebben in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover aangevochten, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.

KR