Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
09-736 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. In de FML is met de verminderde psychische belastbaarheid voldoende rekening gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/736 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2008, 08/2371

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde mr. Cantarella. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster toen zij zich met ingang van 21 september 2005 ziek meldde met rugklachten.

1.2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 12 oktober 2007 onderzocht door de arts M. Mossenen Amini. In een rapport van 29 oktober 2007 vermeldde Mossenen Amini dat er sprake was van lage rugklachten en dat daar later psychische klachten waren bijgekomen. Zijn conclusie was dat appellante lichte beperkingen ondervond ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen. Tevens dient rekening gehouden te worden met beperkingen ten aanzien van omgevingsfactoren en persoonlijk functioneren in arbeid. Mossenen Amini heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 oktober 2007. De arbeidsdeskundige J.L. van Heteren heeft blijkens een rapport van 27 november 2007 na functieduiding vastgesteld dat er geen loonverlies was. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2007 vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 9 januari 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

1.3. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe die bij de hoorzitting aanwezig is geweest. Van de Merwe heeft in zijn rapport van 18 april 2008 geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundig oordeel. Naar de mening van Van de Merwe heeft appellante niet aangetoond of plausibel gemaakt dat er sprake is van méér geobjectiveerde medische problematiek en daarmee samenhangende beperkingen, dan waar de primaire verzekeringsarts zijn oordeel op baseerde. Bezwaararbeidsdeskundige H.C. Boersma heeft in zijn rapport van 24 april 2008 aangegeven dat het maatmanloon is geactualiseerd naar datum einde wachttijd maar dat dit geen consequenties heeft voor de geduide functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank kwam tot de conclusie dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts zag de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat de FML ten aanzien van de psychische belasting de beperkingen van appellante onjuist danwel onvolledig weergaf. De rechtbank heeft evenmin aanknopingspunten in het dossier aangetroffen die het standpunt van appellante ondersteunen dat de FML haar beperkingen op andere punten op een onjuiste wijze weer zou geven. De rechtbank is niet gebleken dat de geduide functies voor appellante ongeschikt zijn. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is door het Uwv terecht bepaald op minder dan 35%.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellante is van mening dat noch de verzekeringsarts noch de bezwaarverzekeringsarts voldoende gekwalificeerd is om een deugdelijke (her)beoordeling te geven ter zake van de psychische problemen zoals die bij appellante zijn geconstateerd. Voorts is appellante van mening dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende rekening hebben gehouden met de psychische beperkingen van appellante. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben volgens appellante de conclusies van psychiater R.W. Jessurun van 27 juli 2007 niet, althans onvoldoende meegewogen in hun bevindingen.

4.1. De Raad overweegt dat zoals ter zitting is vastgesteld, uitsluitend in geding is of de psychische belastbaarheid in de FML op de juiste wijze is vastgesteld.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad is van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. De Raad wil hierbij opmerken dat het, anders dan appellante meent, de specifieke taak en deskundigheid van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. Naar het oordeel van de Raad zijn er, mede gelet op de bevindingen van Mossenen Amini bij het psychisch onderzoek, geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat zij meer beperkt is ten gevolge van haar psychische klachten. Van de Merwe heeft vervolgens aangegeven dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundig oordeel en dat in de FML met de verminderde psychische belastbaarheid voldoende rekening was gehouden. De Raad wil hieraan toevoegen dat ook uit de informatie van 27 juli 2007 van psychiater Jessurun, ook al schrijft hij anders dan Mossenen Amini over een sombere stemming, niet valt af te leiden dat de psychische beperkingen van appellante zijn onderschat. Nu geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat appellante zwaarder beperkt zou moeten zijn met betrekking tot haar psychische klachten, ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

5. Uit overweging 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR