Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
08-6943 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Deugdelijke medische grondslag. Wat betreft de medische geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, waartegen appellant overigens geen specifieke gronden heeft ingebracht, heeft de Raad, gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige en uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde FML, geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6943 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 oktober 2008, 07/868 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Van der Veen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Op 16 februari 2007 heeft appellant, geboren op 27 januari 1989, een uitkering ingevolge de Wajong aangevraagd.

1.3. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 27 januari 2007 een Wajong-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 27 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat hetgeen van de kant van appellant naar voren is gebracht niet kan leiden tot het oordeel dat het Uwv tot een onjuiste medische beoordeling is gekomen dan wel dat dit medische oordeel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Van de zijde van appellant is volgens de rechtbank geen objectief medisch onderbouwde informatie overgelegd op grond waarvan de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 augustus 2007 in twijfel zou moeten worden getrokken en verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft, voor zover thans nog van belang, overwogen dat het Uwv overtuigend heeft gemotiveerd waarom aan het advies van de indicatiecommissie WSW van 4 juli 2007 geen betekenis toekwam voor de Wajong-beoordeling. Uit de gegevens inzake dit advies kwam, aldus de rechtbank niet naar voren dat, zoals ook door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 16 september 2008 was aangegeven, op 17-18 jarige leeftijd de angststoornis als gevolg van angst voor een astma-aanval ook bestond en dat appellant in een werksituatie beperkt was vanwege specifieke angst voor een astma-aanval. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant, gelet op de FML, de geduide functies niet kon verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige is in de rapportage van 20 augustus 2007 voldoende deugdelijk ingegaan op hetgeen is aangegeven in de verzekeringsgeneeskundige rapportage en de FML. De rechtbank heeft derhalve het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd vanwege met name psychische klachten niet in staat te zijn gedurende een fulltime dienstverband loonvormende arbeid te verrichten. In verband met zijn beperkingen heeft hij een indicatie gekregen voor de sociale werkvoorziening. In het kader van de procedure bij de rechtbank heeft appellant medische informatie overgelegd waaruit kan blijken dat er meer beperkingen waren dan door het Uwv is aangenomen. Inmiddels is bij appellant een angststoornis vastgesteld waarvan het Uwv zich op het standpunt stelt dat niet vaststaat dat die ook al op einde wachttijd aanwezig was. Het tegengestelde staat volgens appellant ook niet vast. In verband met die vaststelling is ook een nieuwe aanvraag gedaan, die, naar de gemachtigde van appellant ter zitting meedeelde, heeft geleid tot toekenning van een volledige Wajong-uitkering met ingang van 31 mei 2008.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen. De Raad wil hieraan toevoegen dat eerst uit de rapportage van 10 juni 2008 van GGZ Drenthe duidelijk naar voren komt dat er sprake is van een angststoornis maar niet dat deze ook reeds speelde rond de datum in geding. Ook uit de WSW-indicatie van juni 2007 valt dit niet af te leiden, zij het dat in de daarbij behorende rapportage wel sprake is van onder andere angstgevoeligheid (nervositeit), die bij het onderzoek gaandeweg bleek. De Raad heeft in dit laatste en ook in de overige beschikbare (medische) gegevens geen aanknopingspunten gevonden om meer beperkingen aan te nemen dan het Uwv heeft vastgesteld ten tijde van de datum in geding. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven.

4.2. Ook wat betreft de medische geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, waartegen appellant overigens geen specifieke gronden heeft ingebracht, heeft de Raad, gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 augustus 2007 en uitgaande in verband met overweging 4.1 van de juistheid van de voor appellant vastgestelde FML, geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank.

4.3. De overwegingen 4.1 en 4.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK